Het Oorlogsdagboek van Mej. P Dozy over de periode 29 Mei 9 Juli 1943 Vervolg

Terug naar bladzijde 102

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 104

43B CAHIER-2 Vervolg

blz 103

In Giethoorn tamelijk storm- en regenachtig weer. En keer met een stortbui ging het niet meer waterdichte dekzeiltje door terwijl ik op 't Molengat lag te dutten; moest bij thuiskomst alles in 't stookhok te dr ogen hangen.
Meester Meijer van Giethoorn-Noord raadde mij aan om de Otterskooi te bezoeken. Om voor half tien v. huis, boterham mee. Eerst naar 't Kooikershuis aan de Tyssengracht. De vrouw was alleen thuis, met het druktemakende kooihondje, dat pas weer rustig werd, toen ik weer in mijn cano zat. De vrouw zeide: "Voor nog geen duizend gulden ging ik in dat dingien." De kooiker zou pas om 2 uur met bezoek bij de kooi kunnen zijn en 't was goed 10 uur. Wat heb ik in die "zoek te brengen" vier uur genoten!
Gevaren nu langs de vruchtbare akkers en groote boerderijen van de nieuwe polder, waar tarwe, rogge, haver en aardappels groeien; dan langs hooilanden, waarvan het geurige hooi op een p. laadboomen door 2 man naar de bokken 1) of punters gedragen werd. En verder door het riet- en kraggeland of -water, want je weet niet waar 't eene begint en 't andere ophoudt. Verraderlijk voor wie het niet kent; wat water lijkt is dikwijls meters diepe modder en wat land schijnt een sponsachtige massa die op het water drijft. Een echte woestenij, waar de bruine kiekendief overheen zweefde. In 't riet allerlei geluiden v.d. watervogels, veel meer dan ik er thuis kon brengen. En dan de bloemen! Een haast bedwelmend zoete geur v.d. moerasspirea, "broodbloem", verder kattestaarten, wilgeroosjes, orchiden, maar wat zal ik ze opnoemen, 't zijn er zoo eindeloos veel. Daarna Dwarsgrachten door: een verloren buurtje aan weerskanten van een breed, kronkelend water. Vroeger was 't enkel p. boot te bereiken, nu loopt er een voetpad door, dat zijn eindpunt vindt in Jonen.
De tocht ging weer verder door de smaller wordende Dwarsgracht die met bochten en ten slotte een onverwachte rechte hoek op 't Beulaker Wiede uitloopt. Even de neus v.d. cano gestoken op het groote water en even de machtige lange deining gevoeld, die zoo uitlokkend trok naar de verte. Maar weerstand geboden aan de verleiding en geluisterd naar 't verstand dat zeide: "Op dat water weet je noch wat je aan de cano noch wat je aan je eigen krachten hebt, ga er niet alleen op ....." en omgekeerd. In Dwersgrechte{?} aangelegd bij herbergje en boterhammen gegeten met een lekker glas melk, in gezelschap van de vrouw die bezorgd waarschuwde v.d. Beulaak. Ze werd vertrouwelijk bij 't noemen van den naam v. Meester M. en Dr.B.C., doch ging wijselijk niet in op de sleepbooten. En van 10, 1 v. 12 meter, zonder naamplaten, deze er af geschroefd. De jongen: "Wat een mooi bootje, ik heb ze wel eens minder gezien."
Even vr twee bij de kooi terug en gewacht op 't bootje dat aal spoedig aankwam: kooihondje kondigde het aan. Er zaten drie man in "Is hier de kooiker bij?" De kooiker, Klaver, een genoegelijke oude boer op zijn Zondags en een vervelende Steenwijker die uit de toon viel en waarvan de minder gepaste opmerkingen door de anderen doodgezwegen werden. De kooiker waarschuwde eerst zijn 3 gasten en voornamelijk mij dat we misschien natte voeten zouden krijgen en kunt U goed loopen? De kooi is groot. Dat hebben we bemerkt, de wandeling duurde 2 uur, na afloop plofte de boer in 't bootje neer: "h, h, wat ben ik moei."
Eerst het rechte pad langs de sloot, dan de eigenlijke ingang v.d. kooi: een lange zwiepende plank over een moddersloot die de brug naar 't tooverland vormde.
{vel 44}

De kooiker en zijn twee gasten waren er eerst overgegaan en keken toen zwijgend toe hoe of 't vrouwelijk lid v.h. gezelschap die hindernis zou nemen; ik voelde een eveneens zwijgende waardeering dat 't goed ging, zonder kapsies. Geen verontschuldiging meer van Klaver voor natte plekken, alleen een behulpzame hand als 't noodig was. Bij 't verlaten v.d. kooi zeide Klaver: weet U, hoe diep de modder hier is?, met een ondeugende tinteling in zijn oogen. 't Was, zooals hij met


     [1] Een bok is een grote platbodemschuit. P.S.

 

Terug naar bladzijde 102

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 104