Het Oorlogsdagboek van Mej. P Dozy over de periode 11 - 16 juli 1940 vervolg

Terug naar bladzijde 12

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 14

40F - Blok Vervolg

blz 13

{vel 8}

eerste dagen. Den keizer was aangeboden een vliegmachine om hem veilig naar Engeland te brengen, doch hij had dit afgeslagen en volgens het gevoelen van zijn omgeving daardoor, door zijn tegenwoordigheid, Doorn en omstreken gered van gevechten. Zelf was Frau H. met verscheiden Duitschen en Duitschers van de hofhouding, benevens eenige D. kloosterzusters uit Rijsenburg en een N.S.B. verpleegster, op den eersten oorlogsdag in twee autobussen naar het fort Spijkerboor gebracht. 's Avonds kwamen ze er aan; de vrouwen werden in de minst oncomfortabele ondergrondsche ruimte gebracht, waar echter geen ijzeren bouten voor 't eenige venster waren. 's Nachts werden deze aangebracht, zoodat van slapen heelemaal niets kwam. De soldaten hadden aan de vrouwen hun kribben afgestaan en ook de fortcommandant deed alles wat in zijn vermogen stond om de toestand dragelijk te maken, doch 't geheel was wel zeer primitief geweest. Overdag kwamen ze wel buiten, Frau H. liet mij de gedroogde bloemen zien, geplukt op het glacis van 't fort, en als een herinnering bewaard.
Na 4 dagen kwam de tijding van de in vrijheidstelling. De commandant, majoor v.V. was bij hen binnen gekomen en zeide met tranen in de oogen dat Holland zich had moeten overgeven. "En wij schreiden ook om 't arme Holland, waar we van zijn gaan houden in al de jaren dat wij hier wonen." De N.S.B. verpleegster wanhopig dat Oranje weg was: "dat hebben wij nooit gewild."
Bij het vertrek van het fort hing de vlag halfstok. Herr { spatie } waarschuwde Frau H. dat ze bij het rijden door Amsterdam de meisjes rustig moest houden, en dat ze vooral niet luid D. zouden spreken. "Want ik ben in Holland geboren en ken de Amsterdammers, 't zou ongelukken geven." Een ernstige vermaning had tot gevolg dat allen zich rustig hielden. Boven Amsterdam hingen de zware rookwolken van de brandende petroleumtanks.
En bij aankomst op Huis Doorn was alles vreedig en onveranderd, alsof er geen oorlog bestond.
Foto's van Fregolin: kerstboompje op graf.

Tenslotte verminderde de hevigheid van de onweersbuien en daar ik het niet nog later wilde laten worden, denkende aan de ongerustheid waarin mijn gastvrouwen zeker zouden verkeeren, bracht Frau H. mij naar de tramhalte, door 't hek achter het gemeentehuis. Groote waterplassen lagen op de weg, in Doorn stond het water decimeters hoog op de straat en deinde als een zee op en neer wanneer autos een de tram er doorheen gingen. Ook in de Lindelaan stond het voor 't huis een tien c.m. diep; 't was des te minder aangenaam daar doorheen te waden, omdat ik geen droge schoenen of kousen had om aan te trekken, daar mijn valies nog steeds niet aangekomen was. Gelukkig dat mij kousen geleend werden.!
{vel 9}

Dinsdag 16 Juli. 's Morgens naar mevrouw v.d.B. Zij ontving mij met de woorden: "Ik ben
blij, dat U gekomen is, want U begrijpt, ik kan zelfs aan mijn familie, nog zoo moeilijk over hetgeen gebeurd is, schrijven; het grijpt mij te veel aan. Om er over te spreken valt gemakkelijker. Wij hebben graag, dat de juiste beweegredenen van mijn man zoveel mogelijk verbreid worden, en zullen U dus dankbaar zijn, als U daaraan wilt medewerken."
"De verklaring, die de officieren werd voorgelegd, heeft hij niet willen teekenen, omdat hij zich dan verbond niets tegen Duitschlands regeering of leger te ondernemen en volgens zijn gevoel kwam dat niet overeen met de eenmaal afgelegde eed van trouw aan Koningin en vaderland. Wanneer eenmaal de vrede gesloten is, zal hij zich onderwerpen, hoe deze ook uitvalt; dan moet men berusten in alle omstandigheden, maar zoolang als wij in oorlog met Duitschland verkeeren, kon hij dat niet.
De meeste officieren hebben onderteekend, met de gedachte: een belofte aan Duitschlands regeering die zich onbetrouwbaar heeft getoond, is voor ons niet bindend, wanneer het vaderland ons noodig heeft. Doch een dergelijke opvatting streed met het eergevoel van mijn man: aan een eenmaal gegeven woord moet men trouw blijven, onverschillig aan wien het gegeven werd, want

Terug naar bladzijde 12

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 14