Het Oorlogsdagboek van Mej. P Dozy over de periode 11 - 16 juli 1940 slot

Terug naar bladzijde 13

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 15

40F - Blok slot

blz 14

anders verlaagt men zichzelf tot het peil van den trouwelooze. Zelf officierskind zijnde, kon ik mij daar geheel mee vereenigen, hoe veel het mij ook kostte, afstand van mijn lieven Man te doen. Nu weet ik wel, dat ik hem misschien hier had kunnen houden, dat hij wellicht toch geteekend had, wanneer ik was gaan jammeren, wanneer ik had gezegd: 'Ik kan niet buiten je en de kinderen mogen hun vader niet missen.' Maar dat heb ik niet willen dien. Als ik hem tot teekenen genoopt had, weet ik, dat die afgedwongen belofte hem zijn leven lang als een steen op het hart zou hebben gelegen. Wij zijn jaren lang zoo gelukkig samen geweest; meer mag ik niet verlangen en ik moet er mij bij neerleggen, dat nu het verdriet en de zorg komen. Hij kan met opgeheven hoofd zijn lot tegemoet gaan. Geve God, dat het niet te zwaar zal wezen; geve god hem de kracht om alles te dragen, wat er ook komen zal. En aan ons .....
Ook wanneer wij hem nimmer zullen weerzien, dan zal Vaders mooie opvatting van er aan de Kinderen toch altijd tot een richtsnoer door het leven zijn. Zij waren het volkomen met hem eens en zeiden bij het afscheid: 'Wij zijn zoo trotsch op U, Vader.'"
"Er is in den Haag, na het bekend maken van de eisch van teekening der verklaring, een bijeenkomst gehouden van officieren van Leger en Vloot
{vel 10}

om van gedachten te wisselen en te overleggen. Wij begrepen, dat mijn Man na zijn weigering natuurlijk ieder oogenblik weggevoerd kon worden en dadelijk hebben wij dan ook bijeengezocht wat hij in zijn krijgsgevangenschap het meest noodig zou hebben. Twee valiezen pakten wij in, die hij gemakkelijk zelf kon dragen en dan nog zoodanig dat hij desnoods het eene met extra dingen achter kon laten, ingeval de bagage tot een enkel stuk beperkt werd. Wij maakten voor hem in orde het zeemleren vest, dat mijn grootvader op zijn reis naar de Pool gebruikt heeft en dat wij altijd bewaarden als een merkwaardigheid, weinig denkende dat het nog eens van pas zou komen. Verder enkele stellen warme, sterke kleeren; wellicht dat ze jaren zullen moeten dienen. Naaigerei en een paar dingen om de geest bezig te houden. Hij houdt zooveel van teekenen: zijn schetsboek. Een paar boeken voor zijn Itali-aansche studie. En zijn Bijbel, die heb ik hem zelf gegeven....." Een oogenblik was het haar niet mogelijk om door te spreken, doch al spoedig ging de dappere vrouw verder "De gevangenschap kan best meevallen. Als ze in elkanders gezelschap mogen wezen, dan brengt toch ieder iets aan om den tijd te korten en ze kunnen hun gedachten uitwisselen. Ook zullen wij elkaar wel af en toe mogen schrijven. Een geluk is het, dat mijn Man weinig materiele behoeften heeft en dus op dat punt veel zal kunnen ontberen, zonder dat het heem deert. Een goed diner en een mooie tafel stelde hij wel op prijs, doch een eenvoudig maal was hem even lief, als er maar groente en vruchten bij waren. Wellicht dat hij zich dit laatste nu zal moeten afwennen. Doch het is mij eengerustheid, dat hij een ijzersterke gezondheid heeft.
Tien dagen lang hebben wij in afwachting geleefd, wanneer hij weggevoerd zou worden. Met iedere bel, met iedere nabijkomende auto, dag en nacht, vreesden wij, dat het oogenblik gekomen was. En die spanning werd bijna ondragelijk. Het was een verlichting, toen enkele dagen te voren het bericht ons bereikte, dat hij Zaterdag vertrekken moest. 't was zulk mooi weer dien tijd en mijn Man trok 't altijd weer naar buiten, naar den tuin, waar hij het mooie ruime uitzicht had. Binnen scheen het hem te beklemmen.
Zoo snel kwam de Zaterdag. En het afscheid. Wij hebben allen moedig kunnen blijven. Mijn Man is eerst naar den Haag gebracht, waar hem gezegd werd, dat hij pas maandag naar Duitschland zou vertrekken en nog tot zoolang naar zijn familie mocht terugkeeren. Hij heeft dit geweigerd en terecht. Hij wilde niet op eerewoord belooven dat hij geen poging tot ontvluchten zou doen; hij wilde niet door Duitschers in zijn eigen huis bewaakt worden, en bovenal, hij had de moed niet, om ons nog eenmaal het leed van een herhaald afscheid te doen doormaken. dat ware tè zwaar geweest.

{Einde tekst 40F}

Terug naar bladzijde 13

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 15