Het Oorlogsdagboek van Mej. P Dozy over de periode 17 - 18 September 1944 Slot

 

 

Terug naar bladzijde 147

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 149

44E Dagverhaal Slot

blz 148

- 19 -
Vader had zich al ongerust gemaakt over ons wegblijven. Hij uitte dit door hevig te mopperen: "Hoe kunnen jullie zo stom zijn juist de kant van de Lubert, de meest blootgestelde streek, op te gaan? Je kon toch wel op je tien vingers narekenen dat het vechten niet op slag gedaan is. En waarom zijn Moeder en Ineke niet met jou mee teruggegaan? Zij horen daar immers nog duidelijker dan hier hoe er geschoten wordt en zij moeten toch ook snappen hoe gevaarlijk het op de weg is." Enige zware salvo's bevestigden Vaders woorden en vermeerderden onze ongerustheid over de wegblijvers.
Eindelijk, eindelijk na lang afwachten verschenen Moeder en Ineke en in de opluchting hen ongedeerd weer te zien vergat Vader zijn voorgenomen ernstig vermaan te plaatsen. Zij begonnen dadelijk met te zeggen dat op de terugweg een hevige granaatregen hen overvallen had waarvoor zij in het Klimhuis waren gaan schuilen. Zodra het schieten scheen te bedaren waren zij op een drafje langs de schoenfabriek naar Vogelsangh gelopen waar zij juist op tijd aankwamen want even later scheerde een projectiel over het pad en scheurde de zijkant van het gebouw open.
In de Kamp, het Lage Wald, op de Mies en de Horst hebben teruggekeerde Moffen overal huizen verwoest en in brand gestoken.
Met het oog op het gevaar oordeelde men het niet raadzaam dat ik deze nacht in Elly's huis zou doorbrengen. Het geleek ook overbodig, 't was niet waarschijnlijk dat maraudeurs hun huis voor buit zouden wagen en de granaten trotseren. Toch moest ik voor het vallen van de avond nog even naar het huis toe om de vlag binnen te halen en het openstaande zoldervenster te sluiten.
Het was buiten vrij rustig gedurende de eerste paar honderd meter die ik aflegde. Bij de spoorwegovergang gekomen suisden er weer granaten over. Tegen de muur van het hotel Groesbeek schuilde een van de in Mariendaal wonende dames, Cecile B. die mij bij zich wenkte. Terwijl wij in die
- 20 -
betrekkelijke veiligheid het ophouden van het schieten afwachtten vertelde Cecile dat zij naar de familie Geurts in het Binnenveld was geweest om hen te zeggen dat hun zoon gewond op Mariendaal binnen was gebracht door het Amerikaanse Rode Kruis.
Op een gunstig ogenblik vervolgden wij ieder onze weg. Het respijt was niet van lange duur, nauwelijks tot de Houtlaan genaderd klonk opnieuw een onheilspellend fluiten. Postbode C. die er net aankwam verschool zich ijlings achter een dikke boom, ik borg mij in het ondiepe wagenspoor, Schotje drukte zijn lijfje kreunend van angst tegen mij aan. De granaten sloegen zo dichtbij in dat zij ons met aarde bespatten. Van een korte rustpoos maakten Post, Schot en ik gebruik om op een drafje de achterzijde van het dichtstbijgelegen huis - de winkel van de gezusters V. - op te zoeken. Wij koesterden nog een vage hoop binnen te kunnen komen doch deuren en vensters waren secuur afgesloten. Wij maakten ons zo klein mogelijk terwijl de granaten over ons heen gierden.
Ten slotte, afwisselend dravend en dan weer op de grond uitgestrekt, opspringend en neervallend, bereikte ik Elly's huis toch. Buurman Vos trad te voorschijn uit zijn deur om verontschuldigingen te maken dat zij zo vrij waren geweest de vlag weg te halen; hij en buren geloofden dat de vlag een mikpunt voor de Duitse kanonnen vormde en bijgevolg een gevaar voor alledrie de huizen opleverde. Ze hadden nog moeite genoeg gehad om van buitenaf de stok los te krijgen, hij leek wel vastgesmeed beweerde Vos. Die mededeling gaf mij een zekere voldoening, het bewees hoe deugdelijk mijn sjorringen waren geweest.
Die avond brachten wij ons beddegoed naar de kelder. In een der appelbakken richtten wij met twee hoofdkussens een heerlijk zacht bedje voor Paultje in, 't leek net een scheepskooi en evenals bij een bovenkooi moest de kleine jongen er langs de onderliggende bak inklimmen, wat een heel pretje was. Toen hij in zijn bedje lag zeide hij verrukt: "Gaan

 

Terug naar bladzijde 147

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 149