Het Oorlogsdagboek van Mej. P Dozy over de periode 18 juli - 2 augustus 1940 

Terug naar bladzijde 14

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 16

 40G  BLOK

blz 15

{vel 11} 

Amsterdam

 Maandag 1) 18 Augustus Juli. Na een hartelijk "tot weerziens in beter tijden" om 10 Driebergen verlaten. In 't station van Driebergen was een man bezig om de perronranden met behulp van een handstoffer te witten, wat natuurlijk enkele commentaren uitlokte; te meer waar de vorige nacht zeer onrustig was gemaakt door de Engelsche vliegers. Zag op het rangeerterrein van Utrecht een uitgebrande trein staan. Aankomst in Amsterdam, dat nog altijd, zooals Vondels woorden het uitdrukken: heerlijk zich opendoet. Echter is de gewone levendigheid gedempt; wellicht omdat de gezichten zooveel strakker staan en geestigheden niet meer zoo onbekommerd uitgeworpen kunnen worden en dat moet een groote rem voor de vlug denkende een vlug sprekende Amsterdammers zijn. Zooals in geheel Holland is men eensklaps het fluiten en zingen verleerd. Op de straten vrijwel geen gewone autos, enkele taxis, ook de nieuwste Hollandsche uitvinding: een soort rickshaw 2), een aanhangwagentje door rijwiel getrokken dat als taxi dienst doet en blijkbaar in trek is, er dan ook handig uitziet. Allereerst werk gemaakt van mijn sedert Arnhem verloren geraakt valiesje. Navraag gedaan bij alle bodehuizen die er voor in aanmerking kwamen, en waar men mij zeer behulpzaam was, echter de besteldienst die het volgens het Arnhemsche bodehuis meegenomen had, bleek geheel onbekend te zijn ..... 's Middags dus naar het hoofdbureau van politie, waar ik, aprs quelques recherches in het groote gebouw, in het verborgen bureau van de Recherche mijn moeilijkheden uitlegde aan twee dienstvaardigee politieheeren, die echter hun speurhondenaard niet verloochenden een mij begonnen uit te hooren: "Maar hoe komt U nu hier te Amsterdam?" Het met een misschien wel ironische glimlach gegeven antwoord: "Wel, per trein", bracht hen aan 't lachen en deed hen blijkbaar van een verdere ondervraging afzien. De telefoon werd ter hand genomen om links en rechts inlichtingen in te winnen, af en toe afgebroken met de opmerking tegen mij: "U ziet, wij doen ons best" Ten slotte moesten ook zij het opgeven: "'t Is een moeilijk geval, wij kunnen er niet achter komen, maar schrijft U nu naar de hoofdcommissaris in Arnhem, dat is de eenige manier om het nog te achterhalen." Deze raad heb ik vanzelfsprekend opgevolgd, doch de weinige hoop die ik nog koesterde om mijn eigendom terug te zien, verdween geheel, toen ik van de heeren Eykensluyter de verzekering kreeg, dat er tegenwoordig van alles met bodediensten wegraakt. Ten slotte dook het in Driebergen op, waar men 't naar den Haag opzond. Na anderhalve week zag ik het daar terug en constateerde, dat men het had willen openbreken.

{vel 12}

Amsterdamsche grachten mooi en vreedzaam als immer, hoewel er nu als teeken van de veranderde omstandigheden schuilkelders onder de bruggen zijn gebouwd, waar een houten trapje en vlondertje naar toe voert. Ook in allerlei parkjes en perken bovengrondsche schuilplaatsen van hout en aarde en op de huizen die over een stevige kelder beschikken is met witte verf een groote S geschilderd. Langs de Heerengracht gaande, zag ik de verwoesting aangericht aan de Blauwburgwal, waar aan weerskanten huizen vernield werden door de vier bommen die hier neerkwamen een 30 menschen en kinderen doodden. Triest stond nog het huisraad in de doormidden geslagen kamers. De heer O. is geheel veranderd door den oorlog, heeft een vastberaden gezicht gekregen. Was aanvankelijk zeer gesloten, doch begon ten slotte te spreken over zijn ervaringen als reserve-officier, eerst in Eindhoven, daarna in Alblasserdam, dat door bombardement en branden geheel verwoest werd. "Ik kn mij niet bij de tegenwoordige toestand neerleggen en het is mij niet


     [1] Dit moet Donderdag zijn. P.S.

     [2] Was dat er in augustus 1940 al? P.S.

 

Terug naar bladzijde 14

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 16