Het Oorlogsdagboek van Mej. P Dozy over de periode 18 - 21 September 1944 Vervolg

 

 

Terug naar bladzijde 152

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 154

44F Dagverhaal Vervolg

blz 153

- 29 -
zijn vader en moeder moest missen. Zijn vader was door de Duitsers gefusilleerd, zijn moeder was in Duitsland gevangen. Slechts een enkele keer, wanneer het krijgsrumoer uitzonderlijk hevig oplaaide bekende Paultje met een schuchter stemmetje: "Nu ben ik toch wat bang" en greep tot steun een hand vast. Bij deze geringe uiting van angst bleef het, van huilen of klagen was nimmer sprake.
Zodra 't slechts enigzins mogelijk was gingen wij met de jongen de tuin in, opdat hij frisse lucht en zonneschijn zou krijgen en niet voortdurend in de keldersfeer verkeren. Zelf waren wij ook zoveel mogelijk in de buitenlucht, ter voorkoming van wat wij als "kelderpsychose" betitelden; een verschijnsel waar velen van de gedwongen kelderbewoners aan lijden.
In de namiddag was het volkomen rustig, wij maakten er gebruik van om in de serre thee te drinken. Tot vreugde van Paultje die zijn instemming betuigde met een hartgrondig: "HŤ ja, dat is prettig! In de kelder merk je helemaal niet dat het dag is." Verlangend keek de kleine jongen naar de zonnige tuin en naar zijn zandbak waarin een van losse bakstenen opgetrokken garage uitnodigend wachtte op voltooiing; de vrachtauto's die in het bouwsel zouden stallen zwierven in de omtrek rond. Paultje begreep best dat er van buiten spelen geen sprake kon zijn, hij haalde zijn meccano voor de dag en was al spoedig verdiept in een ingewikkelde constructie.
Plotseling hoorde ik de granaten weer langs suizen, verscheiden salvo's volgden elkander in snel tempo op. de buren vertelden ons later hoe zij de projectielen zagen ontploffen in de stapels kalkzandsteen van de opslagplaats van Van K., de stenen fladderden op als dorre bladeren in een najaarsstorm. Een schuur en enige huizen in de nabijheid kregen ook verscheiden treffers en op het schoolplein aan de andere zijde van Vogelsangh vielen eveneens talrijke
- 30 -
granaten. 't Was alle omwonenden duidelijk dat er gemikt werd op de vlag van Vogelsangh die ondanks de bomen op verre afstand zichtbaar moet zijn geweest. Niemand waagde zich evenwel door het vuur om op de villa te gaan waarschuwen. Ten leste daagde ook bij mij een vermoeden omtrent de aanleiding tot dat bombardement; ik waarschuwde Ineke en samen snelden wij naar de vlaggemast. Terwijl de granaten dicht over onze hoofden gierden lieten wij de driekleur zakken - het was een smadelijke gewaarwording de vlag letterlijk voor de moffen te moeten strijken - en draafden met het dundoek in de armen naar de serre, waar Paultje op de vloer speelde met zijn meccano en Vader en Moeder zo verdiept waren in hun lectuur dat zij niets van het voorgevallene bemerkt hadden. Verwonderd vroegen zij waarom wij de vlag binnengehaald hadden. Met moeite onderdrukten wij onze door het draven de helling op en de emotie hijgende adem en antwoordden, om Paultje niet te verschrikken, als terloops dat het net geleken had alsof de Duitsers op de vlag schoten. Blijkbaar waren wij niet ver mis met deze veronderstelling, want zodra de vlag verdwenen was werd het vuren gestaakt.
Juist zouden wij met het middagmaal beginnen - gezellig in de eetkamer aan een net gedekte tafel in plaats van in de kelder met een bord in wankel evenwicht op de knieŽn - of er verscheen een ambtenaar van het gemeentehuis om de sleutel van Elly's huis op te halen; de Amerikanen wilden n.l. The Finish doorzoeken om te zien of de Duitsers iets van belang hadden achtergelaten. 't Was overbodig dat er iemand van ons meeging, er was haast bij 't geval en dat zou te veel ophouden ..... Toch leek het mij beter indien een van ons bij die huiszoeking tegenwoordig was en zo volgde ik met spoed te voet de ambtenaar die op de fiets met de sleutel vooruit was gegaan.
Behalve deze heer en een Amerikaan die zich als mr.Allan bekend
- 31 -
maakte, vond ik ook de beide buren in het huis. De een, de Vos, een knappe oude man met wit haar en een rest van de correctheid van de gewezen hereknecht in zijn uiterlijk; de ander een figuur gelijk de Franse tekenaar Daumier ze placht uit te beelden: een magere gebogen gestalte, voddige kleren waaruit knokige armen en benen staken, klompen aan de blote voeten. Hoe ongelijksoortig ook, het viertal stond broederlijk bijeen in de keuken, ieder met een waterglas vol cognac in de hand. Bij mijn binnenkomst keken zij enigzins bedremmeld en verklaarden, zeker om hun figuur te

 

Terug naar bladzijde 152

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 154