{- 40 -}
Een opnieuw met volle kracht inzettend bombardement dwong Ineke en mij 's
middags thuis te blijven. Het was ons niet onwelkom, wij waren moe van al 't
rommelen en besloten er ons gemak eens van te nemen. Daar kwam evenwel weinig
van, een gezelschap van een negental personen kondigde zich aan. De vrouwen en
meisjes snikkend en overstuur, de mannen met strakke zorgelijke gezichten. Het
waren de bewoners van de Lubert: boer Theo met zijn moeder en de knecht, zijn
zuster Lies met haar man de timmerman Jan en verder nog twee jongens en twee
meisjes van een naburige boerderij. Het werd op de Lubert te gevaarlijk om nog
langer te blijven; zij hadden eerst bij de Pastorie
- 41 -
aangeklopt, doch de Dominee had geen plaats meer in zijn reeds overvolle huis.
Nu kwamen zij ons onderdak vragen.
Na de verzekering te hebben gegeven dat zij op Vogelsangh konden blijven,
gingen wij de rij langs om allen zonder uitzondering des persoons een
kalmerend middel toe te dienen; het een met het ander bracht de stemming op
een aanmerkelijk beter peil. De mannen gingen helpen om beddegoed, stoelen en
't verdere benodigde van de bovenverdiepingen te halen en alles in orde te
brengen voor deze uitbreiding van ons gezin. De grote Empire-bank in de
herenkamer werd ingericht als legerstede, de vloer geheel belegd met
matrassen; verscheiden slapers zouden hier de nacht kunnen doorbrengen. Zodra
wij klaar waren met alle toebereidselen, verzamelden wij ons in de eetkamer en
onder een kop koffie kwamen de verhalen los.
De familie Theunissen had een der eerste dagen hun boerderij zien verbranden
terwijl zij onder hevig vuur in de schuilkelder op het erf zaten. De ene helft
van het dakloze gezin werd opgenomen door de boer van de Lubert, het andere
deel vond onderdak in het nabijgelegen gesticht de Kasteelse Hof. In de ruime
kelders hadden al een kleine honderd personen een schuilplaats gekregen;
behalve de zusters en de verpleegden waren er ook verscheiden mensen uit de
buurt en enkelen van buitenaf. Zoals de twee meisjes uit Nijmegen die naar
Groesbeek gevlucht kwamen omdat zij meenden dat dit dorp meer veiligheid bood
dan de stad.
De voorste linie van de Amerikanen liep over de Lubert. Onmiddellijk
daarachter lag het Niemandsland waaruit iedere nacht de Duitsers kwamen
opzetten om boerderijen in brand te steken en handgranaten in schuilkelders te
werpen. Dit laatste gebeurde o.a. bij boer Derks, waar zestien mensen in de
voor schuilplaats ingerichte betonnen grassilo zaten. Merkwaardig genoeg werd
niemand gekwetst; allen hadden zich voorover in 't stro gedrukt en de granaat
barstte over de hoofden heen zonder schade te doen.
- 42 -
Op de Lubert had men de Duitsers ook rondom de schuilkelder horen lopen en in
angst verkeerd voor handgranaten. Zij voelden zich niet meer veilig in de
schuilkelder en waren de vorige nacht naar een boerderij verderop in 't veld
toegegaan, doch dit haalde weinig uit want de voorste linie liep hier eveneens
langs. Het verhaal van de boeren eindigde met de woorden: "Wij durfden
werkelijk niet langer te blijven. 't Is wel erg om alles achter te laten, maar
wij hebben de varkens en de kippen een flinke portie voer gegeven en de koeien
en het paard zijn in de wei. Wij hopen maar dat de granaten alles zullen
sparen."
Onze kleine jongen gevoelde weinig belangstelling voor deze verhalen. Onder
onze gesprekken was hij druk aan de gang met zijn meccano en al spoedig
oefende dit spel zijn aantrekkingskracht uit op timmerman Jan - door zijn
ambacht constructeur - en op boer Theo, een geboren instrumentmaker en
bankwerker. Ook de twee jongens Theunissen en het knechtje kwamen kijken en
met veel drukte en gewichtigheid wijdde onze kleine ingenieur hen allen in de
geheimen van het vak in. Na korten tijd zat het zestal broederlijk bijeen op
de vloer en bouwde hijskranen, bruggen en spoorwagens met een ijver en
toewijding alsof zij in opdracht van de Geallieerde legerleiding werkten en de
bevrijding van ons vaderland er door bespoedigd zou worden. Vanuit zijn hoekje
keek Vader toe en verheugde zich dat het boeiende spel ontspanning bracht en
voor het ogenblik de doorgestane ellende en de zorg voor de toekomst op de
achtergrond drong. Ondertussen gingen de meisjes bij de bereiding van het
middagmaal helpen.