Het Oorlogsdagboek van Mej. P Dozy over de periode 21 - 25 September 1944 Vervolg

Terug naar bladzijde 161

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 163

44G Dagverhaal Vervolg

blz 162

nog leeft, trekt het nu waarschijnlijk een groentekar, want de vader van de jongen had een groentehandel.

Zaterdag 23 September.

Vannacht werd ik plotseling klaar wakker, hetzij door een voorgevoel van gevaar, hetzij door het geluid van een vliegtuig. Bijna onmiddellijk dreunde een zware ontploffing gevolgd door het gekletter van glasscherven. Vanuit de eetkamer riep Theo: "Juffrouw Nelly, zouden wij niet beter in de kelder gaan?"
Ik ging vader vragen of hij het nodig oordeelde, doch Vader vond dat wij best boven konden blijven; 't bleef immers bij die ene knal die bovendien volstrekt niet erg was geweest. Theo en ik hadden een enigzins ander oordeel over de hevigheid van de ontploffing; een opvatting die wij echter voor ons hielden, overwegende de betrekkelijkheid van het begrip "erg", waar een artillerist vanzelfsprekend een andere waardemeter voor aanlegt dan de minder aan ontploffingen gewende leek.
Intussen bewezen de beschadigingen die wij vanmorgen ontdekten dat de bom een verre van onschuldig karakter had gehad; op de bovenkamers enige ruiten gebroken, de houten Noordwand van de serre doorzeefd met splintergaten, stukken steen geslagen uit de eetkamermuur en wel juist op de plaats waar Theo's bank aan de andere zijde stond. Ons onderzoek verder voortzettende vonden wij in de moestuin een zwaar stuk metaal, de tuin-
- 48 -
muur vertoonde verscheiden gaten. De bom was er achter in de tuin van de buren gevallen en had de gevel van hun huis lelijk beschadigd.
Vader keek enigzins beschaamd toen wij hem verslag van de aangerichte schade uitbrachten. Ter verontschuldiging voor zijn verkeerde beoordeling voerde hij aan dat het onder de grond vrijwel onmogelijk is zich een juist denkbeeld te vormen omtrent de hevigheid van een geluid.
Vanmorgen bij het uitlaten van de honden ontmoette Moeder onze buurvrouw Soelie, die vertelde dat zij niet langer in het oude Ottenhoffhuis had durven blijven en nu zolang in de ruime diepe kelder van Dokters garage mocht wonen. 't Was er wel veilig maar zo koud en tochtig dat zij het wiegekindje niet durfde uitkleden en wassen. Moeder stelde haar voor om iedere dag het kindje bij ons in de keuken te komen baden; met het steeds brandende fornuis is het er warm en er is ook altijd het water ter beschikking. Met beide handen greep Vrouw Soelie de gelegenheid aan en verscheen al dadelijk deze middag met heet kleintje dat lekker in een teil afgepoedeld werd. Wij stonden er om heen en genoten mee van de pret die de peuter in zijn badje had.

't Zou de eerste en de laatste keer zijn dat Vrouw Soelie bij ons kwam. Later op die zelfde middag vlogen achtereenvolgens vier granaten over het Ottenhoffhuis. Menende dat hiermee 't gevaar voorbij was, verliet de vrouw met haar oudste dochtertje de veilige garage om iets uit het huis te halen, doch net waren zij binnen of een volgende granaat ontplofte met donderend geweld in het dak. Dit was te bar, Vrouw Soelie nam met haar gehele kinderschaar de vlucht naar Nijmegen.

De boer van Groenendaal, Bertus-Ome, is met vrouw, kinderen en onderduiker naar zijn zwager timmerman Nillesen toegekomen. Zij hebben de ernaast gelegen woning toegewezen gekregen; deze was op Dolle Dinsdag verlaten door de bewoners die het hazepad kozen met achterlating van hun gehele inboedel, kleren, brandstoffen, spek en verder nog
- 49 -
een grote voorraad levensmiddelen.
De vluchtelingen vertellen hoe Groenendaal beurtelings in Geallieerde en in Duitse handen was overgegaan; het huis lag voortdurend onder vuur van de ene of de andere partij zodat zij niet

 

Terug naar bladzijde 161

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 163