Het Oorlogsdagboek van Mej. P Dozy over de periode 21 - 25 September 1944 Vervolg

Terug naar bladzijde 162

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 164

44G Dagverhaal Vervolg

blz 163

langer hadden durven blijven. Lam de oudste zoon en Paul de jongste waren achter gebleven om voor het vee te zorgen en zo mogelijk brand te bedwingen.
't Was niet gemakkelijk geweest om van huis weg te komen. Met een witte zakdoek aan een stok gebonden ging een van hen voorop; half kruipend en half lopend trokken zij langs de Derde Baan achter elkander de heuvel op, onder hevig vuur. De Amerikanen, wantrouwig, wilden hen eerst niet doorlaten doch zodra zij bemerkten met vluchtelingen te doen te hebben, hielpen zij zoveel in hun macht was en wezen de veiligste weg naar het dorp aan. Zij hadden zoveel als zij maar dragen konden meegenomen, ieder lid van het gezin was beladen met pakken en zakken, de boerin van Groenendaal torste een zware handkoffer. Een der soldaten nam haar de koffer af en belastte zich er verder mee. Al lopende waren zij met elkander aan 't praten geraakt, de soldaat in 't Duits en de boerin in het van Duits weinig verschillende grensdialect.
"En verbeeldt U, die soldaat was geen gewoon mens maar een professor en zo'n geleerd man droeg mijn koffer alsof hij net hetzelfde als U of ik was" vertelde de eenvoudige vrouw vol verbazing en bewondering.
Zodra Jan de timmerman het nieuws van de aankomst der Groenendalers vernam, ging hij er heen om te vragen of zij iets wisten over hun buren van Vossendaal, zijn ouders. Hij werd slechts weinig wijzer: het huis stond nog ongedeerd doch het was hun onbekend wat er van de bewoners geworden was. Er werd in die omgeving voortdurend gevochten. Van nu af aan zou Jan steeds plannen beramen om door de linies heen te sluipen en zijn ouders op te zoeken; tot grote bezorgdheid van zijn vrouwtje Lies die de vermetele aard van haar Jan maar al te goed kent.
- 50 -
Het Lage Wald dat op een afstand van slechts enkele kilometers van het dorp ligt, is thans onbereikbaar. Even onbereikbaar als de Horst, waarvan wij de huizen, het klooster en de rode kerk duidelijk in de verte kunnen onderscheiden. Het windgerucht - om de eigenaardige Indische uitdrukking te gebruiken - vertelt dat de bewoners die geen kans meer zagen naar Groesbeek te vluchten, nu ten getale van enige honderden mannen, vrouwen en kinderen in de kelders van het klooster schuilen. Wij beklagen de arme mensen die niet alleen onder doorlopend vuur maar ook onder de verdrukking van de Mof zitten en zeker naar Duitsland weggevoerd zullen worden.

Wanneer zij echter na bijna een jaar afwezig te zijn geweest in de gemeente terugkeren, blijken zij het naar omstandigheden niet slecht te hebben gehad. Met een zo groot aantal mensen in de betrekkelijk kleine ruimte van de kelders van het klooster hadden zij wel erg opgepakt gezeten, doch Pastoor en Zusters deden alles wat in hun vermogen was om 't hen dragelijk te maken. De geestelijke verzorging liet niets te wensen over, iedere morgen werd er een mis gelezen. Ook lichamelijk leden zij geen gebrek; er was voldoende meel in voorraad en de bakker bakte ijverig dag en nacht door. Een paar onverschrokken jongelui gingen geregeld de ronddwalende koeien melken en de slachter begeleidde hen nu en dan om van de getroffen beesten vlees af te snijden. Ook gingen de mensen af en toe in een rustig ogenblik naar hun huizen om eetwaar en de nodige kleren te halen.
De hygiŽnische toestand was minder gunstig. Door de opeenhoping van mensen waren de kelders zo vol dat de meesten niet konden gaan liggen maar dag en nacht moesten blijven zitten. Weinig water, verstopte W.C.'s. Op den duur geraakten bij allen maag en ingewanden van streek; een paar oude mensen stierven. 't Drogen van de luiers der kleine kinderen vormde een moeilijk vraagstuk, er werd
- 51 -
de volgende oplossing voor gevonden: de ouders wikkelden de doeken onder hun kleren op het blote lijf en deden door de lichaamswarmte het vocht verdampen. Zo waren de kleintjes geholpen, al was het dan ook op een niet al te hygiŽnische wijze. Of die Prissnitzverbanden de gezondheid van de ouders ten goede kwamen is een andere vraag.
Ten leste, toen er na vier weken nog steeds geen verandering in de oorlogsomstandigheden kwam en de toestand in de kelders op de lange duur onhoudbaar werd, is de Pastoor door de beschietingen heen op de fiets naar Cranenburg gereden om te vragen of hij met zijn

 

Terug naar bladzijde 162

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 164