Het Oorlogsdagboek van Mej. P Dozy over de periode 21 - 25 September 1944 Vervolg

Terug naar bladzijde 165

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 167

44G Dagverhaal Vervolg

blz 166

"Zeker. De meeste mensen hadden hun toestel niet ingeleverd. Wij ook niet en wij verspreidden de berichten van de Engelse radio. Ons toestel hebben de Duitsers nooit gevonden." De Amerikaan glimlachte waarderend. "Te goed verstopt" luidde zijn gevolgtrekking.
Van de welwillende stemming trachtte ik gebruik te maken om met enkele vragen op de hoogte van de stand van de strijd te komen, maar 't lukte niet hard, zij lieten weinig los wat overigens heel begrijpelijk was. Het bos tussen Groesbeek en de Plasmolen was "not quite" in hun handen; ja, de Duitse grens hadden zij op bepaalde plaatsen overschreden; zelf was hij gisteren in een paar Duitse dorpjes geweest "but one can't remember those silly names ....."
De heren waren zo vriendelijk mij weer naar huis terug te brengen; welke gelegenheid ik benutte om een fles Cointreau en enige andere voorwerpen mee te nemen. Er werd met belangstelling naar de welgevulde zware tas gekeken, doch men was te beleefd om iets te
- 56 -
vragen te stellen. "Looting" leert spoedig aan, of op zijn Hollands gezegd: hebben is hebben maar krijgen is de kunst.
's Middags was 't tamelijk rustig in de lucht - volkomen rustig was het nooit - en tot genoegen van Jan wisten wij Lies te overreden om samen met hem een bezoek aan Bertus-Ome te gaan brengen. Ter geruststelling van Lies begeleidde ik hen tot het overstapje van onze heg, van welk punt zij langs het verdekte achterpaadje zonder veel risico in een oogwenk de tijdelijke woning van bertus-Ome konden bereiken. Gelukkig werd het bezoek door niets onrustbarends verstoord; 't jonge paar keerde zeer voldaan weerom en bracht voor ons een groot stuk spek uit de voorraad van Bertus-Ome mee.
Het middagmaal konden wij in de eetkamer gebruiken. Na den eten bezocht ik de buren van het Klimhuis, die vanzelfsprekend in de kelder ontvingen. 't Was er vol, behalve de bewoners van het huis: vader, moeder, twee kinderen, de grootmoeder en het dienstmeisje zaten er ook Jan de melkboer en zijn vrouw. Verder nog een zevental vluchtelingen van de Bruuk en van de Ashorst; deze ongelukkige mensen zijn min of meer van streek door de beleefde ellende. Enige belangstellende vragen verbreken de spanning en de verhalen van het doorgestane leed breken los.
Op de eerste dag van de invasie hadden zij het erg te kwaad gehad. De Duitsers zaten verschanst in het beboste gedeelte van de Bruuk, dat tot een vooruitgeschoven stelling van de Siegfriedlinie ingericht was. De Amerikanen begonnen dadelijk met deze stelling hevig te bestoken; voortdurend cirkelden de vliegtuigen er boven, steeds schietende en bommen gooiende. Vanuit hun bed waren de arme mensen naar de schuilplaatsen in de hof gevlucht en hoewel er bij 't afleggen van die korte afstand niemand getroffen werd, waren zij toch door de ontploffende granaten van onder tot boven met graskluiten en aarde bespat.
Aan de avond van die dag meenden zij over het ergste heen te zijn,
- 57 -
de Duitsers waren afgetrokken. 's Nachts kwamen de Duitsers weer opzetten en sedert hadden de boeren voortdurend temidden van gevechten geleefd. Terwijl zij ergens in een hol op hun erf wegscholen, vochten de troepen tot in hun huizen toe. De ongelukkigen wilden hun boerderijen en hun vee niet in de steek laten en toch, ten slotte durfden zij niet langer te blijven. Het werd te gevaarlijk, de Moffen staken zo ras zij er de kans toe hadden huizen, schuren en korenmijten in brand.
Het relaas wordt eentonig. Met kleine afwijkingen zijn het telkens dezelfde verhalen van strijd, brand, angst, verwoesting, dood. Voortaan zal voor allen het woord Oorlog steeds een beeld van grenzeloze vernielingen en mateloze ellende oproepen.
De huisvrouw van het Klimhuis en haar moeder deelden koffie rond terwijl de huisheer onverdroten boterhammen sneed. Onbewust van zorg of gevaar stoeiden en dolden de kinderen in 't midden van de kring en maakten een leven als een oordeel, waarbij de grote mensen zich amper verstaanbaar konden maken. Bij mijn vertrek deed de heer des huizes mij uitgeleide om tegelijkertijd de door geweerkogels in deuren en piano aangerichte schade te tonen. Hij maakte van de gelegenheid gebruik om zijn hart te luchten met de woorden: "Wilt U wel geloven dat ik af en toe even naar boven moet gaan om op adem en tot mijzelf te komen? Aan mijn familie kan ik met

 

Terug naar bladzijde 165

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 167