Het Oorlogsdagboek van Mej. P Dozy over de periode 21 - 25 September 1944 Vervolg

Terug naar bladzijde 167

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 169

44G Dagverhaal Vervolg

blz 168

De dag begon regenachtig, later klaarde 't op tot prachtig herfstweer. Lies en Jan Muus bleven bij ons en hielpen met het een en ander in huis. Jan had opgemerkt dat onze voorraad brandhout aan 't minderen was en ging hout klein hakken. Ineke en ik plukten in de boomgaard kwetsen, die Lies van vellen en pitten ontdeed en Moeder inmaakte.
Om tien uur moesten wij weer in de kelder duiken. De Geallieerde batterijen rondom ons en de Duitse batterijen in het Wald wisselden hun verplichte partij schoten. Buurvrouw Lien kwam ons in de kelder opzoeken. Zij vertelde dat men
- 60 -
thans in de kelders van het Kinderhuis met een honderdtal mensen en kinderen bijeen zit; alle bewoners van de Panoramaberg hebben er een schuilplaats gevonden.
Voor al die monden gingen een paar van de ouderen iedere dag water halen bij onze pomp en melk en boter bij de zuivelfabriek. De pomp is dichtbij doch het is in de tegenwoordige omstandigheden een hele onderneming en niet van gevaar ontbloot om naar de boterfabriek die aan de andere zijde van het dorp ligt te gaan. De machinist van de fabriek, Wim van O., komt echter van nog veel groter afstand en toch is hij trouw elke dag op zijn post. Tot Vrijdag 29 September heeft hij dat volgehouden. Later verklaarde hij: "Prettig was 't niet maar de bakkers moesten toch meel hebben om brood te bakken." Het graan voor ons dagelijks brood werd n.l. in de boterfabriek gemalen omdat de maalderij van Fleuren aan de Noordzijde van het dorp door de beschietingen onbruikbaar was geworden en de Zuidmolen te zeer blootgesteld lag aan het vijandelijk vuur.
Brood is inderdaad een van de meest onmisbare voedingsmiddelen voor een Europeaan. Zodra het schieten verminderde gingen Lien en ik naar het dorp om ons hiervan te voorzien. Tegelijkertijd bracht ik de Amerikanen de hen beloofde staf- en andere kaarten van deze omgeving, welke wij in grote verscheidenheid bezaten. Hierbij was een in Kleef gekochte kaart van het Reichswald waarop alle mogelijke bijzonderheden waren aangegeven tot zelfs alle verschillende soorten beplantingen: loof- of naaldhout, opgaand geboomte of laag bos. Met deze kaart waren de Amerikanen buitengewoon ingenomen en bemerkende dat de brengster goed op de hoogte van de streek was gingen zij allerlei vragen stellen. Bij het beantwoorden kwam de op talrijke zwerftochten aan weerszijden van de grens verworven kennis van pas. Hoe vurig hoopten wij dat onze inlichtingen mee zouden werken tot de verovering van het Wald!
Wij Groesbekers vroegen ons menigmaal af waarom er geen korte metten werden gemaakt met dat gevaarlijke wespennest, waarom het niet met vlammenwerpers
- 61 -
uitgebrand werd. Vanuit onze observatiepost heeft Jan Muus een enkele keer vlammenwerpers aan 't werk gezien; zó kortstondig echter dat de vuurgloed reeds verdwenen was toen wij op zijn geroep naar boven snelden.

In ons groot en bijna kinderlijk optimisme kwam het niet in ons op dat de Geallieerden gebrek aan enig materiaal konden hebben en toch was dit de oorzaak waarom men niet krachtiger tegen de stellingen in het Wald kon optreden. Het bleef bij kleine aanvallen.

Iedere nacht trokken vrijwilligers van de Groesbeekse B.S. het Wald in om de stellingen der Duitsers te verkennen. Ook negerpatrouilles werden het Wald ingezonden om de Duitsers in hun schuilplaatsen te overvallen. De negers waren uitermate ge-schikt voor dergelijke opdrachten, beter dan de blanke soldaten, daar zij zich volkomen geruisloos weten te bewegen en hun huid van nature een volmaakte schutkleur heeft. Echter was het hun streng verboden de mond te openen daar hun blinkend witte tanden hen zouden hebben kunnen verraden. De Duitsers koesterden een grote angst voor deze zwarte schimmen die hen overrompelden nog voor dat zij enig vermoeden hadden van naderend gevaar.

 

Terug naar bladzijde 167

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 169