Het Oorlogsdagboek van Mej. P Dozy over de periode 25 - 27 September 1944 Vervolg

Terug naar bladzijde 174

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 176

44H Dagverhaal Vervolg

blz 175

vol kleurige inmaakglazen, hinderden niet en kwamen integendeel beter tot hun recht in het heldere licht. Vanmorgen staakte de waterleiding voor korte tijd, vanmiddag gaven de kranen weer water.
Na den eten, na de vruchten verzameld te hebben, gingen Moeder en Ineke een eindje met de honden wandelen. Het was nu rustig en ik maakte er gebruik van om voor een onzer buren, Marieke van Sjang, naar dokter X. te gaan. Arme Marieke had ons haar nood geklaagd: sinds de invasie had zij niet kunnen eten of slapen, de zenuwen hadden haar danig te pakken, zij kon geen rust meer vinden. Haar uiterlijk bevestigden de woorden, akelig hol stonden de grote donkere ogen in het weggetrokken bleke gezichtje. En niemand, niemand durfde eens even voor haar naar de Dokter te gaan; iedereen vond het te ver en te gevaarlijk ..... Dat leek ons wel wat overdreven, de oude dokter woonde immers vlak bij, doch 't bleek dat zij een der andere doktoren moest hebben en wel juist dokter X. die aan de oostzijde van het
- 74 -
dorp woont. Voor degeen die de omweg over de straat moest volgen mocht de tocht naar het doktershuis misschien bezwaarlijk wezen, door de tuinen gaande zag ik best kans om het op een gunstig tijdstip met weinig risico te doen. Marieke's dankbaarheid was groot en de volgende dag vertelde zij verrukt voor 't eerst weer eens geslapen te hebben.
Terugkerende van dokter X. moest ik in de kelder van het Klimhuis duiken om mij te bergen voor fluiters. Wij betitelden de in onmiddellijke nabijheid langs suizende granaten met die naam, naar het eigenaardige van hoog naar lager afdalend fluitende geluid dat ons een waarschuwing was om onverwijld dekking te zoeken.
In de kelder van het Klimhuis was het gehele gezelschap voltallig aanwezig. Jan de melkboer, wiens ouders in de nabijheid van het Wald wonen, vertelde hoe Duitse soldaten volgens hun van het begin van de oorlog bekende gewoonte zich vermommen in vrouwen- en zelfs in nonnenkleren; zo uitgedost komen zij uit het Wald om de Geallieerde troepen te bespieden. Nu de Geallieerden achter deze list zijn gekomen, schieten zij aanstonds op iedere gestalte die de weg aan de zoom van het Wald betreedt.
Elke nacht doen de Duitsers uitvallen uit het Wald, gister-nacht zijn zij hierbij tot bij de smederij van Kerkhof gekomen die aan de Bredeweg op een kilometer afstand van het dorp ligt. De Amerikanen hadden met hun gebruikelijke onachtzaamheid ergens in een weiland hun keukenwagen vol voorraden laten staan; hij werd door de Duitsers ingepikt, zij wisten er ongemerkt mee uit de voeten te geraken. Wat zullen de soldaten, die het vanmorgen zonder hun gebruikelijke uitgebreide warme ontbijt moesten stellen, gemopperd en gevloekt hebben op de nalatige kok!
Deze avond zien wij op de Mies weer een boerderij branden; tegen de rode gloed steekt het dakgeraamte van een reeds eerder door vlammen verteerd huis scherp en spookachtig af. Prachtig schijnt de maan en de sterren fonkelen, helder is de gehele omtrek verlicht, in onze tuin tekenen paden en struiken zich duidelijk af.
- 75 -
't Is onbehagelijk om nu met de honden uit te gaan en toch durven wij hen niet op eigen gelegenheid te laten gaan; wij hebben te veel armzalige door granaatscherven verminkte dieren zien rond-dolen. Dus sluipen wij, op tijdstippen dat geen burger zijn neus buiten de deur mag steken, met een hond aan de lijn door eigen tuin en vermijden daarbij zoveel mogelijk het verraderlijk knerpende grint en de knappende kastanjebolsters en trachten van schaduwplek naar schaduwplek te glippen. Vurig hopende dat wij aan de aandacht van onze Bevrijders zullen ontsnappen en niet als snipers beschoten worden. De wijze Schot begrijpt de toestand volkomen en blijft geen tel langer buiten dan nodig is. Jonge Joris daarentegen stapt pas na veel overreding de stoep af, snuift en speurt naar alle zijden, talmt en treuzelt tot er weer een schot valt, hetgeen nooit lang op zich laat wachten, om vervolgens in dolle angst naar binnen te vluchten, de Vrouw aan de lijn achter zich meeslepend. En dan moesten wij in 't holst van de nacht nog eens met hem uitgaan, wat nog veel onaangenamer was.
Hebben de Amerikanen ons wel eens bespeurd bij die nachtelijke expedities? Waarschijnlijk wel, zij hadden hun ogen overal. Wij herinneren ons maar al te duidelijk die keer dat wij

 

Terug naar bladzijde 174

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 176