Het Oorlogsdagboek van Mej. P Dozy over de periode 27 Sep - 1 Oktober 1944

Terug naar bladzijde 183

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 185

44I Dagverhaal Vervolg 

blz 184

waren bruin geschroeid maar wonderlijk genoeg viel er nergens een granaatscherf te bespeuren noch een gat in de aarde. Ook verhieven de herfstasters geheel ongedeerd hun stralende kopjes nog fier omhoog. Later hoorden wij hoe mensen op hun vlucht langs de Zevenheuvelenweg achtereenvolgens drie granaten in onze heg hadden zien ontploffen.
De Zevenheuvelenweg was onderaan afgesloten met twee gevechtswagens; de inzittenden staarden verwonderd naar die zeldzame voorbijgangster, hielden haar echter niet aan en vroegen ook niet waar zij heen ging. In het verlaten Ottenhofhuis waren thans soldaten genesteld.
Na het verslag over de toestand van zijn patiŽnt aangehoord te hebben stelde de Dokter voor met mij mee terug te gaan, doch op mijn vraag of 't nodig was antwoordde hij: "Nog niet, ik kan nu toch niets doen. Misschien vannacht, U haalt mij dan wel, tenminste als U er door kunt."
Gewapend met medicijnen en voorschriften hoe te handelen verliet ik het doktershuis. Daar het buiten rustig bleef besloot ik even bij het Klimhuis te gaan zien hoe of de zaken bij onze buren stonden.
- 93 -
Tegen de gewoonte in was de achterdeur op slot; kloppen vond geen gehoor. Door het keukenvenster zag ik op de tafel een trekpot, een paar koppen en een botervlootje met het mes er in gestoken alsof iemand nog pas geleden boterhammen gesmeerd had. De buren moesten dus nog thuis zijn. Terwijl ik buiten voor het raam dit alles beschouwde en overwoog, vielen er een paar schoten in mijn richting. Zeker afgevuurd door een ijverig O.D.-er, die in de schemering een gestalte bij het huis opmerkte en mijn onschuldige belangstelling voor de baatzuchtige van een plunderaar versleet. 't Was geen prettige gewaarwording. Vlug liep ik verder, om het huis heen waarbij ik in het buurhuis enig gestommel hoorde; even later vertoonde de bewoner - de veldwachter - zich en beantwoordde mijn vraag naar de bewoners van het Klimhuis met de mededeling dat zij in de namiddag overhaast naar Heumen gevlucht waren.
Alsof een stem de woorden uitgesproken had, zo duidelijk klonk in de gedachten het onheilspellende gezegde: "De ratten verlaten het zinkende schip."
Bij hun thuiskomst vertellen de boeren dat er op de Lubert voortdurend granaten gevallen zijn; klaarblijkelijk projectielen van een zwaarder kaliber dan de gewone 88 m.m.. Een van de koeien werd dodelijk getroffen; zij hadden het beest de hals afgesneden en uitgeweid. Amerikaanse soldaten hadden er enige stukken vlees van afgesneden, Theo beloofde morgen ook een mooi stukje voor ons te zullen meebrengen.
Theo heeft zijn radio naar Vogelsangh meegenomen: "dan kan Meneer er naar luisteren en ons het nieuws vertellen" doch jammer genoeg is er nu juist geen electrische stroom. Van ons allen betreurt Vader dat het meest.
Er is een granaat terecht gekomen op een van de schuilkelders van buurman van K. de kalkzandsteenfabrikant. Hij heeft ze n.l. in soorten. Deze was gedekt met een gegolfd ijzeren plaat waarop een eiken balk lag om door zijn gewicht de plaat op zijn plaats te houden. Het ijzeren dakje werd in onze tuin geworpen, de helft van de balk vonden wij
- 94 -
achter het huis in de boomgaard, het andere deel lag op het grind voor 't huis. Als bewijs welk een geweldige kracht deze ontploffingen ontwikkelen.
Hoewel een paar van ons omstreeks twee uur in de nacht zwaar schieten hadden gehoord, sliepen wij toch allen goed. Dank zij de tabletten die onze zorgzame vriend de Dokter meegegeven had.

Zaterdag 30 September.

Het schieten was vanmorgen zo hevig dat niemand het waagde zich boven te wassen; wij gingen om beurten toilet maken bij het fonteintje beneden en bij de gootsteen in de keuken. Desalniettegenstaande vertrokken de boeren op de gewone tijd. Spoedig kwamen zij weerom, de Cranenburgse baan was afgezet door Ameri-kaanse posten. Het had niet geholpen of de boeren al

 

Terug naar bladzijde 183

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 185