Het Oorlogsdagboek van Mej. P Dozy over de periode 1 okt - 31 december 1944 Vervolg

Terug naar bladzijde 193

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 195

44J Dagverhaal Vervolg 

blz 194

komen. Mijn voet stootte tegen een granaatscherf, onwillekeurig bukte ik mij om het stukje ijzer op te rapen doch liet het dadelijk weer vallen, de scherf was gloeiend, dus juist afgeschoten. Nu werd het mij boven toch te heet en het goed latende voor wat het was daalde ik haastig naar beneden.
Terwijl wij ontbeten pakte Moeder een voorraad boterhammen voor onderweg in de levensmiddelentas. De tocht kon lang, kon de gehele dag duren. Waar zouden wij terecht komen, wie zou ons opnemen? Onze blik zwierf door de gezellige kelder die ons een zo goed en veilig onderdak had geboden en die wij met tegenzin verlieten.
Alle luiken waren zorgvuldig gesloten opdat geen regen door de gebroken vensters naar binnen zou dringen. Tot het laatst toe namen wij alle mogelijke voorzorgen in acht, tot het ogenblik dat wij alles in de steek
- 113 -
moesten laten. De dingen die wij mee zouden nemen zetten wij in de gang bijeen.
Het was niet mogelijk Vogelsangh langs de oprit te verlaten, deze lag te zeer onder vuur. Wij zouden het sluippaadje aan de Westzijde moeten gebruiken, zo als wij de laatste weken meestal gedaan hadden omdat het gedekter lag. Tussen bomen en struiken door voerde het naar de heg; van daar kwam men op het een goede meter lager gelegen akkertje van de buurman. In de beschutting van de heg waren een paar verbergingskuilen gegraven die ons meermalen van pas waren gekomen.
In de gang stonden wij het gunstige ogenblik voor de vlucht af te wachten, het ogenblik dat de Duitse batterijen hun vuurrichting zouden veranderen. Rugzakken op de rug, koffertjes in de hand, de honden aangelijnd, Paultje hield Beer onder de arm geklemd; de kleine jongen mocht slechts een beest meenemen en had daartoe zijn grootste lieveling Beertje uitverkoren.
De laatste ontploffingen klonken verderaf, een van ons meende het goede ogenblik gekomen en zeide tegen Paultje: "Draaf zo hard je lopen kunt naar het overstapje in de heg en wacht in het schuilgat op ons, wij volgen dadelijk."
Ik liet de jongen uit en zag hem om de hoek van het huis verdwijnen. Pal daarop, zonder voorafgaand fluiten, sprong een verraderlijke mortiergranaat op de stenen rand die het grasveld omringt, niet ver van de plaats waar Paultje juist verdwenen was. Een ogenblik van verlammende schrik. En dan de opluchting Paultje erbarmelijk te horen huilen. Hij leefde dus nog, maar was hij gewond? Daar kwam hij terughollen, snikkend: "Ik ben gevallen en heb mijn knietjes zo'n pijn gedaan aan die nare kiezels!"
En wij lachten van vreugde hem ongedeerd weer te zien, die geschaafde knieŽn waren immers helemaal niet erg voor een flinke jongen. Hij scheen niets gemerkt te hebben van de ontploffing die hem toch ongetwijfeld
- 114 -
tegen de grond geworpen had.1 )
Er volgden nog enige ontploffingen van mortiergranaten dichtbij. Opnieuw afwachten en onderwijl overlegden wij dat het beter zou zijn het huis langs de Westzijde door de serre te verlaten in plaats van door de voordeur waar de granaten langs scheerden. De reeds gesloten deuren en luiken werden weer geopend.
Zodra de Duitse batterijen hun vuurrichting veranderden maakten Ineke en ik hier gebruik van om onze bagage door de tuin in over de heg naar het lager gelegen akkertje van de buurman te brengen. Nu wij het in enige gangen moesten transporteren met de kans onderweg door springende granaten getroffen te worden leek 't nog veel. Ineke's fiets, Vaders invalidewagentje, Paultje's trekwagen, de koffertjes, rugzakken en dekens; al ons hebben en houden op de vlucht.
Dit was gelukkig zonder ongelukken afgelopen. Nu de achtergeblevenen gewaarschuwd.
Vader sloot het huis zorgvuldig af - o, overbodig gewoontegebaar - en stak met Moeder, Paultje en de honden het grasveld over. Nog een enkele blik ten afscheid achterom. Omringd door zijn hoge bomen scheen Vogelsangh zo veilig, als onverwoestbaar op te rijzen. 't Leek dwaasheid het huis te verlaten.


[1] De juiste toedracht herinner ik mij niet, wat ik mij uit de verhalen herinner ben ik met beide speelgoedbeesten gevlucht maar heb ik bij deze val het Ezelpaard verloren en dat verder vergeten. P.S.

 

Terug naar bladzijde 193

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 195