Het Oorlogsdagboek van Mej. P Dozy over de periode 2 - 4 Oktober 1944

Terug naar bladzijde 196

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 198

44L - Vervolg dagverhaal

blz 197

VERVOLG DAGVERHAAL {zonder titel} van 2 October tot 29 December 1944

2 October 1944.

Na de vreselijke nacht waarin de Duitsers vergeefs getracht hebben Groesbeek te heroveren, op de ochtend dat wij moeten vluchten, bulderen de Geallieerde batterijen nog steeds rondom. Van een onderbreking in het vuren der Duitsers maken wij gebruik om Vogelsangh te verlaten. Vader sluit het huis zorgvuldig. Het grasveld over gestoken, nog een blik ten afscheid over de zonnige tuin, het goede oude huis ..... Dan vlug door de opening in de haag en afgedaald op het lagere aangrenzende akkertje. Hier lag alles wat wij mee zouden nemen. Terwijl handkoffertjes en dekens op trekwagen en fiets worden gepakt, wacht Paultje veilig weggestopt in een schuilgat.
Op korte afstand brandt het fel, twee huizen en de grote houtschuur van timmerman Nillesen staan in lichter laaie. De vlammen loeien en knetteren onheilspellend, hoog stijgen de rookwolken op. Geallieerde granaten huilen onafgebroken over ons heen. Het vijandelijk vuur kan ieder ogenblik hervat worden, haastig willen wij verder trekken, doch na slechts enkele stappen over de voren van de akker slaat de wagen om, de last glijdt er af en moet opnieuw opgeladen worden.
De grote weg overgestoken, weer even halt gehouden in de dekking van een deerlijk verhavend huis en alles steviger vastgesjord. Dan vlug verder, vlug uit deze gevaarvolle streek. Afgeschoten boomtakken belemmeren de pas, dakpannen en glas vergruizelen onder de voetstappen. Vreemd ontredderd ziet het bekende pad er uit, holle vensters en granaatgaten gapen in de muren van de huizen, gordijnen wapperen naar buiten, deuren hangen scheef open. Vertrapte rommel sliert tot over de weg.
- 2 -
Ten derde male wordt onze aftocht tot staan gebracht, thans door een wanhoopskreet van Ineke: "O, mijn band loopt leeg, zo kan ik niet verder!" Uit de verlatenheid klinkt onverwacht een antwoord: "Kom maar hier, ik heb een fietspomp." 't Blijkt de Musschenkerl te zijn en terwijl hij de band met lucht vult, overweegt hij: "Hoe gelukkig dat het enkel de ventiel is die niet goed dicht zat en hoe gelukkig dat ik net nog niet weg was en jullie helpen kan."
Voor ons uit, in de Bosstraat, spoedt zich de metselaar met vrouw en kinderschaar. In het Hoenderdal wachten de verpleegden van de Kasteelsche Hof op de wagens die hen weg zullen brengen. De stakkers zouden er nog uren en uren, een halve dag lang staan wachten. Dicht bij de zielige troep sukkels, onder de hoge eikenbomen bij de overweg ligt op het schrale bosgras een groot bruin en wit gevlekt bonk, een dode koe.
Zonder ongeval zijn wij de voor vijandelijk vuur open liggende spoorweg overgestoken, nu omsluit het bos ons. Wij menen veilig de pas te kunnen vertragen op de thans stijgende baan. Een stroom van vluchtelingen neemt ons op. Wij verwonderen ons dat het de laatste dagen uitgestorven schijnende dorp nog zoveel menschen borg.
De trieste optocht. Het meest nodige wordt meegesjouwd op allerlei mogelijke vervoermiddelen. Fietsen, trekwagentjes, gammele kinderwagens hoog opgetast met dekens en volgepropte slopen, 't jongste kind er boven op, een pan, een ketel, een emmer er bij bungelend. Oudjes liggen op een paar kussens op kruiwagens. Honden lopen druipstaartend mee; hier en daar een geit of een schaap, een boer met een troep koeien. Een enkele bevoorrechte vlucht met kar en paard.
Telkens bekende gezichten, telkens wordt er een groet gewisseld. Verontwaardigd klinkt het: "Dat er zelfs voor Meneer, die zo slecht ter been is, geen auto overschiet!" Een hulpvaardige hand helpt een eindweegs het wagentje heuvelopwaarts duwen.
- 3 -
Onze naar het Westen trekkende stoet neemt het ene deel van de weg in beslag, langs de andere helft gaat een onafgebroken stroom Oostwaarts, naar het front toe. Munitiewagens en kanonnen, jeeps met officieren, grote vrachtwagens met soldaten. De strakke gezichten van de

Terug naar bladzijde 196

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 198