Het Oorlogsdagboek van Mej. P Dozy over de periode 2 - 4 Oktober 1944 Vervolg

Terug naar bladzijde 199

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 201

44L - Vervolg dagverhaal

blz 200

Groesbeek, Nijmegen, de Betuwe. Vele hoog opgestapelde boerewagens met huisraad en beddegoed, schreiende kinderen, doodvermoeide vrouwen en verstrakte mannen. Een deerniswekkend tafereel en toch kan een glimlach nauwelijks bedwongen worden bij 't herkennen van één onzer Groesbeeksche buren, een dame van onbestemde leeftijd die zonderling uitblonk tussen al die vrij haveloze vluchtelingen; keurig uitgedost als voor een plechtige receptie. Een statiegewaad sierde haar omvangrijke gestalte, een hoed vol pluimen de blonde lokken; zo opgetuigd duwde zij een kinderwagen voort, opgetast met dozen. "Al mijn japonnen heb ik gered!" riep zij mij zegevierend toe. Tot haar eer moge vastgesteld worden dat zij haar onogelijke hondje niet achtergelaten had, het troonde bovenop de dozen.
Een andere bekende stem roept, buurvrouw Lien en haar zoontje banen zich een weg naar mij toe. De vorige avond - hoe lang geleden leek 't - maakten wij de afspraak om gezamenlijk te vluchten; de granaatregen van deze morgen had het onmogelijk gemaakt de belofte te volvoeren.
De Heer Hoefnagels, ambtenaar van ons gemeentehuis, zou Lien en haar zoontje Henk naar Ravenstein brengen: "Komt U ook gauw mee, hier is 't vol en daar is nog plaats." Zijn vriendelijk aanbod werd niet aangenomen, ik wilde de aankomst van mijn familie afwachten. Om mij toch te helpen gaf hij een introductie voor de Wychensche secretaris, die ons volgens zijn verzekering
- 8 -
wel een geschikt onderdak zou kunnen verschaffen.
Alvorens naar het gemeentehuis te gaan, zag ik rond naar iemand die op de aankomst van onze wagen zou willen letten. Aan de kant van het marktplein stonden een paar brave oude kereltjes, als voor de eeuwigheid vastgeworteld, het ongewone vertier gade te slaan. Aan hen gevraagd om uit te zien naar een lange platte wagen ..... en hier volgde een nauwkeurige beschrijving, waarin de heer met het witte haar en de witte hond de kenbaarste onderscheidingstekens vormden. De beide mannen verschoven, aandachtig luisterend, hun pruim achter de andere wang, verzekerden dat zij vast niet voor donker naar huis zouden gaan en goed op zouden letten. Gerustgesteld op dit punt richtte ik mijn schreden naar het mooie kasteel waarin het gemeentebestuur zetelt en kreeg, dank zij Hoefnagels' aanbeveling, voor de familie het huis van met Dolle Dinsdag gevluchte Duitschers toegewezen. 't Zag er behoorlijk uit en toch stond het mij tegen er gebruik van te maken. Misschien zou de Dominee nog iets anders kunnen raden?
Niet ver van het kasteel lag de ouderwetsche pastorie, breeduit gebouwd met rechts de kerk en links het koetshuis, waarin de benzinekooktoestellen van de militairen stonden te loeien. Soldaten liepen af en aan, in de tuin waren grote legerwagens onder de bomen geschoven. Er was reeds een gehele familie Betuwsche vluchtelingen in 't huis ondergebracht; toch nodigden de jonge Dominee en zijn vrouw mij gastvrij uit om bij hen te blijven slapen. Zo ik mij tenminste met de bank in de salon behelpen wilde, en met een oude donzen deken voor dek ..... een bed of slaapkamer hadden ze niet beschikbaar. Alles in huis lag nog wat overhoop, zij waren er door de Duitsers uitgezet geweest en nu pas, na de bevrijding in teruggekeerd.
De schemering viel reeds toen ik naar het thans verlaten marktplein terugkeerde; slechts de twee oude, trouwe kereltjes stonden er nog. Volgens hun getuigenis was er geen wagen met oude heer, hond, enz. aangekomen en nu ze 't mij gemeld hadden, trokken ze ook maar naar
- 9 -
huis, er viel niets meer te beleven, 't was toch afgelopen.
't Was afgelopen, niets meer te doen, lijdelijk afwachten wat er van de anderen geworden is. Opeens weegt de vermoeidheid loodzwaar, hond en vrouw slepen hun benen achter zich aan naar de Pastorie. En daar ontvangt ons na deze weken van spanning de wonderlijke weldadigheid van de rustige huiskamer waar het gebulder der vuurmonden slechts flauw en onwezenlijk doordringt. De twee jonge menschen die niet beklagen doch op de beste wijze, met raad en daad, medegevoel betuigen. Na de bescheiden inleidende vraag: "U heeft er toch niets op tegen, 't is onze gewoonte 's avonds?" de troostende en sterkende Bijbelwoorden, waarvan de onverwachte gast vermoed dat zij opzettelijk voor haar uitgezocht zijn.

Terug naar bladzijde 199

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 201