Het Oorlogsdagboek van Mej. P Dozy over de periode 2 - 4 Oktober 1944 Vervolg

Terug naar bladzijde 201

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 203

44L - Vervolg dagverhaal

blz 202

waarschijnlijk eveneens onbekend waren in deze streek, in de verkeerde richting gestuurd te worden.
Een lange, lange zwerftocht volgde over de winderige dijken. De weg was grondig stukgereden door de zware legerwagens die er in onafgebroken reeks over heen hotsten, links en rechts de modder verspattend. Aan beide zijden van de rivier, zover het oog reikte, lagen de uiterwaarden geheel bedekt met munitie; eindeloos reiden zich stapels aan stapels. Een ontzaggelijke voorraad. Beklemmend drong het besef door hoe ver het einde van den oorlog nog verwijderd was.
In de plaatsjes verderop verzekerde men dat het Ravensteinsche veer onbruikbaar was, de Duitschers hadden immers de pont tot zinken gebracht, de overzijde zou enkel te bereiken wezen over de Graafsche brug. Anderen spraken dit tegen, maar de Graafsche brug diende uitsluitend voor militair verkeer. Roeibootjes waren niet te bespeuren, hoe nu? Al zwervende was ik tot Overasselt genaderd, op betrekkelijk korte afstand rezen onze beboste heuvels op, daar achter woedde de strijd, dreunend drong het kanongebulder tot hier door.
Een lange magere gestalte nadert, een bekende gestalte, onze metselaar. De man die ondanks zijn strakke gezicht toch iedereen aan 't lachen wist te maken door zijn rake opmerkingen, welk een verkwikking waren zijn geestigheden niet geweest in de bezettingstijd, geestigheden die gedebiteerd werden onder de neus van zijn onbewuste slachtoffers. Zijn gelaat bleef altijd even zuur en onbewogen, maar hoe konden de ogen dan tintelen! Nu was de uitdrukking van zijn trekken een geheel
- 12 -
andere, droevig staarden zijn ogen mij aan en de eerste vraag was: "Wat is er van meneer en mevrouw geworden? Ik schrok toen ik U alleen zag. Mijn kleine meisje is gestorven." En dan, als hij van mijn zwerftocht hoort, raadt hij aan om naar onze burgemeester te gaan, die in Overasselt is.
De burgemeester gaf de verzekering dat de Brabantsche oever zowel over de Graafsche brug als met het Ravensteinsche veer te bereiken was. Verder vertelde hij hoe zij gisteren het vaste voornemen hadden gehad in de betonnen schuilkelder van de Bouwhoeve te blijven, evenwel zette om vier uur in de namiddag een dermate hevig bombardement in dat langer toeven onverantwoordelijk leek.
Op de heenweg had een O.D.wagen ons een eind meegenomen, op de terugweg waren wij niet zo fortuinlijk. In 't eerst was Joris voor elke langs rijdende legerwagen verschrikt opgesprongen, nu sukkelde hij onverschillig, nat, moe en hongerig mee achter de niet minder natte, vermoeide en hongerige Vrouw. Onze weg voerde langs enkele bakkerijen die verleidelijke broodgeuren uitwasemden, maar wij konden niets kopen wegens 't ontbreken van bonnen. In 't laatst werd de honger oppermachtig en bij een Engelsche keukenwagen, waar de koks juist bezig waren wittebroodsneden dik met getruffeerde leverkaas te beleggen, slikten wij onze trots in en vroegen om een stukje brood. Ongekende ondervinding: te schooien om eten. De kokshelper stak al een hand naar zo'n kostelijke boterham uit, de ernstige oudere kok echter weigerde met beleefde woorden: "Ziet U, wij mogen 't werkelijk niet, dus kunnen we 't niet doen." en verwees ons naar een boerderij op de weg die wij reeds afgelegd hadden, daar werd door een keukenwagen eten aan vluchtelingen verstrekt.
Misschien was 't de verkeerde boerderij waar wij aanklopten, misschien had er inderdaad wel een keukenwagen gestaan die nu vertrokken was, in alle geval de gang leverde niets op en wij trokken weer verder, hongerig, nat en koud en klemden de tanden op elkaar. Diep begroef de Vrouw de handen in de zakken van haar jasje en vond daardoor,
- 13 -
o wonder! een vergeten stuk pepermunt. Broederlijk deelden wij 't samen en 't fleurde ons aanmerkelijk op. Weer verder op de eindeloze weg.
Ergens een onaanzienlijk arbeiderswoninkje, een man aan 't werk in den hof die zo vriendelijk goedendag zeide dat ik het waagde het huisje binnen te stappen en om een boterham te vragen. Een klein schamel keukentje, een armoedig, afgewerkt vrouwtje.

 

Terug naar bladzijde 201

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 203