Het Oorlogsdagboek van Mej. P Dozy over de periode 2 - 4 Oktober 1944 Vervolg

Terug naar bladzijde 202

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 204

44L - Vervolg dagverhaal

blz 203

"Och, arme stumperd, ziedde van Groesbeek? Dat is daar zo arg, bies hier kunde 't schieten heuren! Mens, mens, zet oe bij den heerd en warm oe, hier is al ene botteram" de dubbele sneden werden dik besmeerd met smalt, "wat jammer dat ons spek op is, dat zou oe ok gesmakt hebben, maar wacht, ik schud oe een kumke koffie in."
Een tweede omvangrijke boterham werd ons toegestopt en nog een gloeiende kom koffie voor ons neergezet. Joris kreeg zijn deel van 't brood en een bakje water. De man was nu ook binnengekomen op kousevoeten, na zijn klompen bij de deur uitgeschopt te hebben. Hij dampte een pijpje scherp riekende eigen teelt, waarvan mij de tranen in de ogen schoten. Hij "zee er geen ene" maar keek met evenveel voldoening als zijn vrouw naar 't rappe verdwijnen der boterhammen. Van betalen geen sprake: "'t Is ter liefde Gods en och mens, als wij zelf toch zo verjaagd waren, ik mag er niet aan denken. En dan klagen wij nog wel eens ....."
Niet minder gesterkt door de vriendelijkheid als door de voedzame boterhammen, vervolgen wij onze tocht. Even dachten wij weer geluk te hebben, een wagen met meelzakken reed ons achterop, gemend door een paar jongelui van de O.D. Ze hesen ons er op, 't ging met een flink drafjen verder, maar al gauw kwam er een fietser op ons af die de wagen terug dirigeerde, er moest nog ergens iets opgehaald worden.
Eindelijk, na de zoveelste bocht, zien wij Ravenstein aan de overzijde van de rivier liggen. Een oud vestingstadje, wallen en grachten omvatten een groep bomen en huizen, waar boven uit een alles overheerschende molen en twee gelijke peperbusvormige witte torens steken.
- 14 -
't Is net een oud prentje, slechts de galg op de voorgrond met er aan bengelende gestalten ontbreekt.
Over een kwartier vaart de laatste pont naar de Geldersche oever terug 1). In die korte spanne tijds moet ik zekerheid zien te krijgen waar de familie zich bevindt. Door een hobbelig straatje draaf ik naar de alwetende Orde Dienst, die gevestigd is op de Markt. In een huis met de gevel van een paleisje en een ingang als van een schouwburg: een wit marmeren hal met een paar meer dan levensgrote zwierige Barok-beelden.
De familie staat niet ingeschreven op de vluchtelingenlijst. Mogelijk zijn ze in een van de dorpen verderop terecht gekomen, Demen of Dieden, slechts een uurtje lopen nog ..... Na twee dagen van elk een twintig kilometer in ongunstige omstandigheden was mij dit uur net te veel.
Met de laatste pont keerden wij terug naar Gelderland. Een koude wind streek over de rivier en drong door de natte kleren heen. De veerman wierp een blik op Joris en merkte op dat hij vanmorgen een wagen overgezet had waarop een heer met grijs haar zat, met juist zo'n vreemd soort hond op de knieŽn, 't waren vluchtelingen van Groesbeek. Een andere man merkte op dat er om Groesbeek de laatste weken toch zoo verschrikkelijk gevochten was.
De schemering daalde al op weg naar Wychen. Nu en dan klinkt een schot. Plotseling knettert het afweergeschut aan alle kanten, vliegtuigen zoemen, een vuurwerk gelijk stijgen zwermen rode lichtkogels op in de donkere lucht. Een fietser jaagt voorbij alsof de Gestapo hem op de hielen zit en roept: "Bergje, 't is hier niet veilig!" Ik laat mij in de droge greppel naast de weg vallen en trek Joris mee, maar in zijn dolle angst voor schieten werkt hij zich los uit zijn tuig en ontsnapt bijna, net nog kan ik hem in zijn dikke vacht grijpen. Vlammen schieten uit een vliegtuig dat brandend over Ravenstein heen strijkt en valt. Een dreunende slag, rode gloed laait op.
- 15 -
Uit een grote boerderij treden schichtig te voorschijn twee kleine jongens en een groter meisje met een trekwagen waarop een gevulde zak; gejaagd om naar moeder terug te keren en tegelijk angstig zich op de weg te begeven. Na de geruststellende verzekering dat het gevaar thans voorbij is, draven wij samen in de snel vallende duisternis op de kapot gereden berm van de weg, het hobbelende karretje achter ons, terwijl de legerwagens in onafgebroken stroom rakelings langs ons scheren. Het drietal vertelt ondertussen hoe zij met Moeder uit Nijmegen gevlucht zijn en in Wychen onderdak hebben gevonden. Vader was in Duitschland, de Moffen hadden hem opgepakt


     [1] Waarschijnlijk is Tante Nel via de Graafse brug de Maas overgestoken. P.S.

 

Terug naar bladzijde 202

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 204