Het Oorlogsdagboek van Mej. P Dozy over de periode 2 - 4 Oktober 1944 Vervolg

Terug naar bladzijde 204

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 206

44L - Vervolg dagverhaal

blz 205

men hen ergens in een grote ruimte, waar Dientje tot haar vreugde haar zuster terugvond, de arme Doortje, die half krankzinnig van angst en ongerustheid over Dina was.
Oorlogsmentaliteit: iemand deelde koffie uit aan de vluchtelingen en vroeg: "Waar zijn de menschen in die hoek vandaan?" 't antwoord: "Uit het Duitsche klooster van Groesbeek." De vrouw met het blad ging voorbij zonder hen iets te geven. Daarna kwam een Dokter de ronde doen. Opnieuw dezelfde vraag en hetzelfde antwoord; ook de dokter ging door zonder ook zelfs maar een enkele blik te werpen naar de arme zieke op de draagbaar.

Wychen is vol Groesbekers, bij iedere stap wisselen we een woordje of minstens een groet. Een man, die de twee vorige nachten nog aan den overkant van het Maas-Waalkanaal doorbracht, vertelt hoe de nacht volgend op onze vlucht rustig verliep maar gisternacht is er weer zwaar gevochten.
De Dominee en zijn vrouw hielden Joris en mij ten eten. Uit vrees dat ik anders weer ergens om een boterham zou moeten gaan bedelen, zoals zij mij goedmoedig plagend voorhielden. Na de maaltijd las de Dominee een psalm eindigend met de regels: "De Heer, waar ge in of uit moogt gaan en waar ge U heen moogt spoeden, zal eeuwig U behoeden."
Daarna het afscheid, met de gastvrije verzekering: "Als U wilt, komt U gerust terug, U bent ons helemaal niet tot last geweest." Wat ook 't dienstmeisje, die mijn douceur nauwelijks wilde aannemen, volkomen beaamde. De schrik haar door Joris aangejaagd was klaarblijkelijk vergeven en vergeten.
- 18 -
Vergeleken met de eindeloze tocht van de vorige dag leek 't nu slechts een onbetekenend wandelingetje naar het veer. 't Was goed weer, zonnig en winderig. De veldwachter van Niftrik, die iedere keer met zijn handtekening vergunning voor de overgang van de Maas moest geven, bevond zich niet in zijn woning, doch volgens zijn vrouw zou ik hem wel "ergens" in 't dorp kunnen vinden. Mijn speurtocht had evenwel geen succes. Met de overweging dat zelfs een konijn ten lange leste zijn eigen hol opzoekt, terug naar 's veldwachters woning en daar zijn komst afgewacht. Eindelijk verscheen de politieman; hij had juist een paar Groesbeeksche meisjes en een Duitsche soldaat gevangen genomen, welk edel gezelschap zich met elkaar vermaakte in Niftriks dreven.
De stad Ravenstein binnengaande werd ik begroet door buurvrouw Lien en onze Paultje die uit een huis kwamen gelopen. Met de verzekerdheid van iemand die al jarenlang ingezetene van Ravenstein is, nodigde de kleine jongen mij uit hem te volgen: "Ga maar mee, ik wijs je wel waar wij wonen."
Een hobbelig, kronkelend achterstraatje tussen armoedige lage woninkjes; bij de bocht aan 't eind een klein herenhuis omringd door een moestuin. 't Zag er niet onvriendelijk uit. Inwendig viel het bitter tegen. Paultje bracht mij naar een smalle, kale achterkamer met half afgescheurd behang en enkele bijeengeschraapte meubels. Het enige venster gaf uitzicht op een smal strookje grond met geknakte tabaksplanten waaraan halfvergane bruine flarden blad bungelden; voorts rondzwervende rommel, een bouwvallig konijnenhok en een gammel schuurtje. Daarachter een hoge muur bekroond door een soort radiomast, samengeknutseld met een versleten ragebol en een bonestaak. Als een visioen rees het beeld van Vogelsanghs tuin voor het geestesoog op: de glooiende grasvelden, bloemen en hoge bomen, de verre doorzichten op het dorp, heuvels en bossen .....
Aan weerszijden van het venster, ineengedoken als twee zieke vogels, Vader en Moeder. Jaren verouderd in die paar dagen.
- 19 -
Vol van wat zij doorgemaakt hadden sedert onze scheiding in Heumen, begonnen Vader en Moeder te vertellen:
Stapvoets volgde de wagen in de eindeloze stoet vluchtelingen de vele bochten van de Maasdijk, tot men bij Overasselt het bevel kreeg de weg te verlaten en op een weiland te blijven wachten op nader order. Toen was het in de namiddag. Uren en uren stonden zij daar, de zon zonk lager en verdween tenslotte achter de kim. In de vallende schemer lichtte de gloed van brandend Nijmegen steeds roder en feller op. In wanhoop vroegen de

 

Terug naar bladzijde 204

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 206