Het Oorlogsdagboek van Mej. P Dozy over de periode 4 - 8 oktober 1944

Terug naar bladzijde 206

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 208

44M - Vervolg dagverhaal

blz 207

- 21 -
eigen broodjes, waarbij zij nog de onbeschaamdheid had er zich op te beroemen, al vier timpjes en drie kumkes koffie verwerkt te hebben.
Met een uit de put opgediepte emmer water maakte men enigzins toilet en nuttigde daarna het ontbijt van brood en spek. Vervolgens nam elk zijn plaats op de wagen weer in, alhoewel de goedhartige boer en boerin 't geen doen vonden om met die regen verder te trekken en verzekerden dat zij best mochten blijven. Wychen was evenwel dichtbij en de bestemming waar immers ieder onderdak toegewezen zou krijgen.
Ondanks de over elkaar geslagen jassen en dekens was 't koud, doordringend koud en nat op die open wagen, waar men weerloos aan de elementen overgeleverd zat. Doordat het de vorige dag mooi weer was geweest, had niemand er aan gedacht paraplu's mee te nemen.
Het bakkersgezin vond een veilige haven bij een collega in Alverna. De pleegzuster, Zuster Marie, die Anneke met haar zieke kinderen niet in de steek wilde laten, bleef hier eveneens. Ook de onbescheiden vrouw met haar aanhang verdween van de wagen, die nu verder reed met het overschot van zijn vracht, enkel bestaande uit de familie van Vogelsangh. In Wychen meldde men zich aan 't gemeentehuis, maar de door alle drukte thans geheel overstuur geraakte ambtenaren verklaarden geen tijd te hebben om na te gaan of 't een of ander gezinslid hier al ingeschreven stond en bovendien, in Wychen was voor niemand meer plaats, ze moesten maar door trekken, naar de overzijde van de Maas, daar zouden ze wel geholpen worden. De bereidwillige voerman stemde er in toe het gezelschap verder te brengen.
Op weg ontmoetten zij de heer Hoefnagels die hen aanraadde naar Ravenstein te gaan, daar was plaats in overvloed, zij moesten zich maar vervoegen bij den gemeentesecretaris. Met de aanbeveling van Hoefnagels werden de verkleumde vluchtelingen er vriendelijk ontvangen, Mevrouw verkwikte hen met warme koffie en soep, doch de secretaris zat met de handen in 't haar waar hij dit gezin van vier personen zou onderbrengen. Alle huizen in 't stadje waren min of meer beschadigd door
- 22 -
het bombardement van de spoorbrug dat de Geallieerden een paar weken geleden uitgevoerd hadden. Bovendien herbergde men reeds evacuť's uit de Hollandsche steden, vluchtelingen uit de Betuwe, Zeeland, Nijmegen en nog Poolsche troepen.
Moeder bedacht zich opeens of er geen Dominee in Ravenstein was. De bekende ruime ouderwetsche pastorieŽn zweefden haar voor de geest. 't Wederwoord luidde: "O, bent U Protestant? Ja, een Dominee was er wel, doch hij is NsbeŽr en nu gevangen genomen, schoon hij nooit iemand kwaad berokkend heeft. Mevrouw is in IndiŽ, waar zij naar toe was gegaan om haar dochter op te zoeken en Jan de zoon ligt ziek in de enige kamer van het huis die nog bewoonbaar is. Ja, en dan is er nog Philip, de knecht van den Dominee."
"Laten wij Philip hier halen en met hem overleggen; hij is een handig man en weet misschien wel raad" stelde Mevrouw voor. En inderdaad, Philip wist raad. Hij zou eens even overleggen met Bruggers, de opzichter van de Heidemaatschappij, die enige kamers in zijn huis leeg had staan. Bruggers werd bereid gevonden om de vluchtelingen op te nemen en Philip droeg uit de Pastorie aan alles wat zij zelf konden missen: een paar ledikanten, beddegoed, enkele meubels.
Zo werd deze tweede nacht van de vlucht tenminste beter dan de eerste in de tochtige stal op stro. Men had althans een behoorlijke legerstede en een dicht dak boven zich. Vader trachtte Moeder te troosten met de overweging dat het toch maar voor kort was, enige dagen, hoogstens een veertiental. En hield zijn eigen zwartgallige gedachten over de staat waarin zij eigen huis zouden terugvinden - als zij het al ooit wederzagen - wijselijk voor zich.
De volgende dag gold de eerste uitgang een bezoek van dank voor de verleende hulp aan de Pastorie. Deze bleek in het oude poortgebouw van het lang geleden gesloopte kasteel te zijn gevestigd. Een zware eiken deur opende op een blauwstenen gang, waarin men wel met paard en wagen kon rijden. Links een geheimzinnige wenteltrap die zich in 't

 

Terug naar bladzijde 206

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 208