Het Oorlogsdagboek van Mej. P Dozy over de periode 4 - 8 oktober 1944

Terug naar bladzijde 208

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 210

44M - Vervolg dagverhaal

blz 209

verschillende te berde gebrachte onderwerpen, waarvan zij voldoende op de hoogte waren om de verhandelingen behoorlijk te kunnen volgen. Daarbij konden zij de Groninger geestigheden waarderen. Die gesprekken vormden een welkome afleiding voor de kwellende gedachten van het heden. Er was zoveel om over te tobben. Hoe lang zou deze verbanning nog duren? En wat dan, wat was er van Vogelsangh geworden? Geruchten deden onder de vluchtelingen de ronde als zouden alle huizen leeg geplunderd worden; moeilijk konden wij aan de waarheid hiervan twijfelen, hadden wij niet, toen wij nog in Groesbeek waren, zelf gezien hoe het de verlaten huizen verging? - En dan, wat het ergste was: de oudste dochter in een Duits concentratiekamp, het beruchte Ravensbrück volgens de laatste berichten. Zou Paultje zijn moeder ooit terugzien? Of zou hij haar voorgoed moeten missen evenals zijn vader? Dierbare familieleden en vrienden in bezet Nederland, wat zouden zij wellicht te lijden hebben? Waren zij nog in leven? -
Tot goed begrip van de bochtafsnijdingen aan de Maas uitgevoerd, werd op een keer de op de vlucht meegenomen stafkaart te voorschijn gehaald, waarop Br. de verschillende verkortingen van de loop der rivier aangaf. Eensklaps bedacht hij zich dat er ergens op zolder nog de bij het werk gebruikte kaarten moesten liggen. "Vrouw, krijg jij ze eens, jij weet waar ze zijn."
Zijn vrouw begreep helemaal niet waar hij naar vroeg; bij nadere uitleg ging haar evenwel een licht op. "Meen je soms die linnen dingen waar papier met allerlei lijnen tegenaan geplakt zat? Dat papier heb ik er met veel moeite afgeweekt, en van het goed broekjes voor de kinderen gemaakt. 't Was een reuzewerk, maar ik heb er het geld voor nieuwe broekjes mee uitgespaard." En
- 26 -
de opkomende verontwaardiging van haar man bemerkend, voegde zij er met een onverschillig schouderophalen aan toe: "Jij keek toch nooit meer naar die prullen om."
De twee mannen zagen elkander aan. Bij de meevoelende blik en de half verholen lach op het gelaat van zijn gast loste Br.'s ergernis zich op in de verzuchting: "Ach die vrouwen, ze hebben ook nergens weet van ....."
Een andere keer verhaalde hij over zijn Fransche tijd, het mooie golvende landschap, de goed grond waar zo weinig profijt van getrokken werd, de luie arbeiders. De Baron en de Barones waren er over uit zoveel werk als de Hollanders konden verzetten maar ook zoveel eten als ze konden verstouwen. Mevrouw had er plezier in om bepaalde eigenaardige Fransche gerechten voor hen te laten klaar maken en kwam dan na afloop van de maaltijd informeren of ze het lekker gevonden hadden. Meneer zeide: "Ces Hollandais mangent comme des ogres et travaillent comme des galériens." "Mhaar....." voegde Br. er in echt Groningsch, gelardeerd met veel overbodige h's aan toe "die Franschen voerden ook niets uit, na twee uur werken waren ze al "extenués" en moesten de nodige borrels pakken om weer bij te komen. Alleen de vrouwen, die konden zwoegen en de mannen buitten hen uit."
Een enkele Pool zocht 's avonds zijn weg naar de warmte en het gezelschap. Opdringerig en hinderlijk vonden Vader en Moeder hen met hun vele vragen en hun onverholen bewondering van vrouwelijk schoon.
De heer Hoefnagels had gezorgd dat ik onderdak vond in hetzelfde huis als onze ex-buurvrouw Lien met haar zoontje en Til N., een andere dorpsgenote. Dit was in het oude Posthuis, de uitspanning waar eenmaal van over de Maas komende reiskoetsen hun paarden verwisselden en de reizigers gelegenheid hadden om zich te vertreden en een glas te drinken op de geslaagde overtocht over de rivier. Een koetspoort, binnenhof en ruime stal wezen nog op het voormalige gebruik. In het
- 27 -
ouderwetsche huis hing nog de stemming van den ouden tijd. Zoals men zich in dat gehele stadje een paar eeuwen terug verplaatst waande, de stroom des tijds scheen er aan te zijn voorbijgegaan. In een korzelig ogenblik maakten wij wel eens de vergelijking met stilstaand water. Thans brachten hierin niet de oorlog en de gevechten, maar de soldaten een hevige beroering. Tot vreugd van de op verandering beluste jeugd, tot ergernis van de meer bejaarden. Zo hadden eens, lang geleden, de Staatsche troepen en later de legers van Engelsen en Fransen hier afleiding en vertier gebracht in deze zelfde straatjes en huizen. Op hetzelfde marktplein hadden ook zij hun inspecties en parades gehouden, onder de bewonderende blikken van de toeschouwers en de hoede van Sinte Lucia,

 

Terug naar bladzijde 208

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 210