Het Oorlogsdagboek van Mej. P Dozy over de periode 18 juli - 2 augustus 1940 

Terug naar bladzijde 20

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 22

40G - Blok vervolg

blz 21

{vel 19}

"Als een kijkspelletje naar de ellende van hun medemenschen gaan zien." De Z. en zijn vrouw hadden deze ellende zeer wel meegevoeld, doch deze menschen met hun domme glimlach - ze waren immers fijn een dagje uit, met de boterhammen mee - begrepen niet, dat deze verschrikkingen en ellendige dood evengoed hun deel hadden kunnen zijn.
De straten waren onherkenbaar, enkele groote of gespaard gebleven gebouwen staken er als bakens boven de puinhopen uit: de muren van het uitgebrande ziekenhuis aan de Coolsingel, de schouwburg met zijn gapende leege deuren en ramen. De Hollandsche galgehumor had bij één van de groote deuropeningen het gedrukte carton gehangen, waarop de woorden: Beleefd verzoek, de deuren te sluiten, ter voorkoming van tocht. Wonderlijk genoeg stonden de groote gebouwen aan de Coolsingel nog overeind en het stadhuis en de Post waren zelfs weinig beschadigd. Wel echter het flatgebouw er naast; zag daar duidelijk aan den achterkant hoe een bom zich van boven naar beneden een weg door de muur had gebaand, links en rechts stonden nog twee reepen muur verdiepingen hoog overeind. Van de beton- en staalbouw blijft het geraamte staan, dit toonde de zwart verbrande Bijenkorf. In de verte ergens de rest van de eens zoo zorgvuldig bewaarde oude Delftsche Poort. De ruïne van de groote kerk: enkel slechts de muren. Op de Coolsingel is men bezig, een trieste rij houten noodwinkeltjes in elkaar te zetten. De Twentsche bank is nog zoowat bruikbaar, hoewel ook gaten. Een handwijzer geeft de ingang aan, over een houten vlonder naar een trapje. Overal is werkvolk aan 't puin ruimen en sloopen, zwijgend en ernstig, maar behulpzaam voor de voorbijgangers. IJzerwerk is tegen vernielingen bestand, naaimachines, autos, fietsen en bedden en in menige leeggeruimde kelder staat vierkant een verwarmingsketel. Kolenkelders, waarin het werkvolk staat te graven en te hakken als in een kolenmijn, want in de door de gesprongen waterleidingen ondergeloopen kelders zijn de kolen samengeklonterd tot een harde massa. Op vele puinhopen staat een bordje met de naam van de zaak die daar gevestigd was en de vermelding van het nieuwe adres. Soms enkel een loodsje aan den wallekant tegenover de plaats van de oude zaak. Zoo één, waarop de eigenaar als naam "Nooit gedacht" had gezet. Een hoefijzer was boven de deur vastgemaakt. Hier en daar tentjes waar flesschenmelk en reepen chocolade waren te krijgen. Aangeplakt de aanmaning om zich te laten inenten. Het leelijke witte huis staat overeind, evenals de hinderlijke viaduct door de stad, deze laatste heeft echter vele moeten van bommen, wat van onderen duidelijk te zien is. Het Beursstation verwoest, een houten hulpgebouwtje is er tegenaan gemaakt. Aan de Boompjes staat nog het oude huis waarin de Scheepsverbandmaatschappij is gevestigd, maar verderop alles vernieling en puin. Het Haringvliet ligt voor de
{vel 20}

Terugreis

26 Juli. helft tegen den grond. Het Maasstation is geheel en al plat en wordt vervangen door
een zeer primitief loodsje. De regen en modder verhoogden nog de naargeestige indruk van verloren Rotterdam. Afschuwelijk is het woord, dat ervoor past.
De terugreis over Utrecht, Arnhem. In de Geldersche vallei vele boerderijen in puin. Steeds regen, het kleine veerbootje over de Rijn nat en slikkerig, doch bij aankomst in Groesbeek was de regen opgehouden, 's middags om vijf uur. Dina wachtte mij aan de bus en toevallig was de Dominé er ook, die mij dadelijk verslag uitbracht over de bommen, die de vorige nacht, na voorafgaande waarschuwing gevallen waren. Daar deze waarschuwing zich ook over de paar volgende nachten uitstrekte, kwamen er al spoedig uitnoodigingen van de Pastorie, Mariental en onze achterburen om bij hen de nacht door te brengen. Wat door mij, hoewel dankbaar voor de betoonde bezorgdheid, afgeslagen werd, daar gevaar toch niet te ontloopen is en ik het zoo goed thuis als elders kon afwachten. 's Avonds een warme jas en de tasch die mij op reis vergezeld had, bij de hand gelegd, en heerlijk en ongestoord geslapen. Een betere rust genoten dan de menschen die er geheel noodeloos een nachtwake van hadden gemaakt.

Terug naar bladzijde 20

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 22