Het Oorlogsdagboek van Mej. P Dozy over de periode 4 - 8 oktober 1944

Terug naar bladzijde 209

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 211

44M - Vervolg dagverhaal

blz 210

Ravensteins beschermheilige. Haar zwierig, levensgroot beeld, staande in een nis van de kerkwand, blikte met zachte, wijze glimlach over het door poorten begrensde pleintje, over de in de loop der jaren steeds wisselende mensen met hun gelijke gebreken en deugden, smarten en vreugden.
Thans was het Posthuis voor de gewone bezoekers gesloten. de eigenaar werd volkomen in beslag genomen door de Orde-Dienst. Vrouw en kinderen had hij naar de ouders in Wychen gebracht, daar zij, bevreesd voor een herhaling van het bombardement, niet langer in Ravenstein durfde blijven. Het gehele huis hadden zij voor vluchtelingen beschikbaar gesteld met als enige voorwaarde dat er nette mensen in onder gebracht zouden worden. De brave man, die met zijn onafscheidelijke geweer in de arm, eens poolshoogte kwam nemen, toonde zich ingenomen met de tijdelijke bewoners. Wat bleek uit zijn toezegging dat wij alles in huis als het onze mochten gebruiken, tot keldervoorraad en kaarsen toe. Vooral het laatste was een uitkomst, want de paar meegebrachte kaarsjes strekten niet ver meer.
Wie het eerst komt, het eerst maalt. De twee grote slaapkamers waren reeds door de beide dames in gebruik genomen, bijgevolg viel mij het op een doorloopje ingerichte kinderkamertje toe.
- 28 -
Bij geluk was het bedje van niet al te bekrompen afmeting en is mijn omvang bescheiden, zodat ik althans niet klem geraakte tussen hoofd- en voeteneinde. Toch zou die eerste nacht door Schotje's schuld verre van aangenaam worden. Ik had het trouwe dier op een baalzak op de vloer geïnstalleerd, wat hem slechts matig beviel, zijn voortdurend rondtrippelen over de planken bewees het duidelijk. Zo kwam er van slapen niets; ten einde raad nam ik hem naast mij, op de reisdeken die mij dekte; tevreden knorrend vlijde hij zich neer en sliep in minder dan geen tijd. De Vrouw niet, want op een onverklaarbare wijze dijde de hond al spoedig uit tot wat veel geleek op de omvang van een olifant, en de Vrouw werd in een hoekje van de toch al niet ruime legerstede gedrongen. Tegen het hekje aan gelukkig, zonder die beveiliging ware zij zeker onbarmhartig het bed afgeduwd en had zich met de kille vloer moeten vergenoegen.
De volgende dag vonden wij in de schuur een mandje en een paar jute zakken. Schotje was wel niet verrukt van dit leger, maar de Vrouw genoot die nacht van de onbetwiste ruimte in het kinderledikant en hoorde noch kanongebulder, noch vliegtuigen. Het was ook de eerste nacht, na goed twee en een halve week, waarop zij niet in de kleren sliep.
Wij hadden onszelf en ons kleine huishoudentje zo goed mogelijk ingericht in de gastvrije woning en konden er ons wel schikken. Er was evenwel één ongemak waaraan wij niet vermochten te wennen, en wel de ratten. Des avonds draafden zij over de achterplaats heen en weer en maakten de oversteek naar de primitieve gelegenheid aan de andere zijde tot een tocht minstens zo onplezierig als een wandeling onder een granaatregen. Laten wij het bewuste kleine vertrekje maar ronduit met de ouderwetsche benaming plee betitelen, want het was een inrichting in oude stijl. Waterspoeling en dergelijke nieuwigheden waren hier onbekend. Zoals gezegd, Ravenstein leefde nog in een vroeger tijdperk; met alle bekoring maar ook alle ongemakken van dien. Op een enkele woning na, die aan de pas aangelegde waterleiding was aangesloten,
- 29 -
bediende ieder zich nog van pompen. Voor de huisgezinnen die ook dit gemak moesten ontberen waren er hier en daar in de straten openbare pompen aangebracht; een monumentaal exemplaar sierde de markt.
In droge zomers was er in 't stadje menigmaal gebrek aan water geweest, nu kwam dat niet voor, ondanks het feit dat de bevolking eensklaps verdubbeld en misschien wel verdrie- of verviervoudigd was. Want de najaarsregens waren ingevallen, vrijwel onafgebroken stroomde en plensde het den gehelen somberen dag door en elke nacht weer drupten en gorgelden de goten naargeestig in de duisternis. Verkoudheid, influenza en longontsteking waarden rond en kregen velen in hun greep te pakken; burgers en vluchtelingen zowel als geharde soldaten. De vluchtelingen hadden er vanwege alle doorgestane ellende nog het meest van te lijden. Zelf voelde ik mij door een hevige niet te stelpen verkoudheid ook niet bepaald fit. Zeven zakdoekjes wèlgeteld, vrijwel geen zeep en amper lauw water om ze te wassen; een der kleine misères van het

 

Terug naar bladzijde 209

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 211