Het Oorlogsdagboek van Mej. P Dozy over de periode 4 - 8 oktober 1944

Terug naar bladzijde 210

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 212

44M - Vervolg dagverhaal

blz 211

vluchtelingenleven, mij persoonlijk het meest weerzinwekkende van allen, En dan te bedenken dat thuis, op een paar tiental kilometer afstand, alles wat wij nodig hadden voor het grijpen lag.
Sommige fortuinlijker dorpsgenoten met een auto tot hun beschikking, slaagden er verscheiden malen in tot Groesbeek door te dringen en vele onontbeerlijke dingen uit hunnen huizen mee te brengen.
Het kwellende besef hoe de kans om ongemerkt nog eens in Vogelsangh te komen, verging door de onmogelijkheid om met een lamgeslagen lichaam de reis op eigen kracht te ondernemen. Il fratello Corpo, om met Fransiscus van Assisi te bespreken, Broeder Lichaam weigerde dienst. Het tij verliep en werkeloos zaten wij af te wachten. En zagen uit op de Stadsbleek tegenover het Posthuis, waar ondanks de groen belovende naam gen grassprietje meer te bekennen was. Het stond er vol met grauwbeslijkte legerwagens die hier nagezien en hersteld werden. Modder noch regen weerhield de Ravensteinse jeugd grote belangstelling voor deze
- 30 -
werkzaamheden aan den dag te leggen. Het mannelijk deel ervan interesseerde zich in 't bijzonder voor het technische, de meisjes zwierven er ook om heen, maar hen was 't meer begonnen om de rijkelijk uitgedeelde lekkernijen. In minder dan geen tijd hadden de kinderen een mondje vol Engelsch te pakken gekregen, genoeg om zich verstaanbaar te maken bij alle landaarden die onder de Geallieerde vanen dienden en zeker
voldoende voor het bedelen om "Chocolat for Mamma and cigarettes for Pappa."
In een opening tussen de bebouwing van de Walstraat lag de Bleek op de voormalige vestingwal. Verderop uitzicht op het lagere land dat het stadje omringde! Moesakkertjes met verregende koolplanten, weilanden, rijen populieren en knotwilgen buigend onder de herfstwind die hunne laatste verkleurde blaren afrukte en verstrooide.
Iedere dag omtrent het middaguur zorgden wij present tee zijn in de Achterstraat waar vanuit de schoenfabriek het radionieuws per luidspreker werd verspreid. Een wijze maatregel van de Overheid om ons enigzins op de hoogte van het wereldgebeuren te houden. Want een andere nieuwsbron bestond er niet, de vele fantastische geruchten uitgezonderd. Kranten werden nog niet gedrukt en schoon de Duitse poging om alle radiotoestellen in beslag te nemen zeer zeker niet geslaagd mocht heten, zo waren al deze zorgvuldig verborgen gehouden toestellen thans onbruikbaar wegens gebrek aan electrische stroom. De eerste tijd verzamelden Ravensteins burgers en vluchtelingen zich geregeld op de vastgestelde tijd in de Achterstraat, die nooit eerder zo'n menigte mensen bijeen gezien had. De vluchtelingen, op weg naar de etensuitdeling, droegen allen emmers of pannen. Het waren de vluchtelingen die met de grootste aandacht luisterden, die bleven komen, ook als 't de Ravensteiners al lang niet meer raakte, want voor de vluchtelingen hing er zo onnoemelijk veel af van het verloop van de oorlog.
De meeste luisteraars zijn ons al van aanzien bekend, doch vandaag valt een nieuwe figuur op: Zuster Marie, die wij het laatste gezien
- 31 -
hebben op de wagen met Anneke en haar gezin. Kleine, pezige, strijdlustige Zuster Marie. Rap van tong en strijdlustig is zij, de jarenlang ingeademde Amsterdamse atmosfeer is niet zonder invloed gebleven, in 't bekvechten heft niemand haar nog weten te slaan. Daarbij een gelaatsuitdrukking alsof ze met de gehele wereld overhoop ligt en een stem om met succes kinderen mee naar bed te jagen. En toch weten de Groesbekers heel goed welk een warm, meevoelend hart er onder dat barse uiterlijk verborgen zit. In het laatst der vorige eeuw had Zuster Marie het levenslicht aanschouwd in 't kleine Ravenstein. Hier had zij de kinderjaren doorgebracht en een hechte vriendschap gesloten met haar die eenmaal 's Kosters ega zou worden. Wat lag meer voor de hand dan dat zij, nu zij haar woonplaats heeft moeten ontvluchten, naar het nabije Ravenstein, naar hare vrienden de Koster en zijn vrouw trok. Want in Alverna werd het haar te machtig: "Wij zaten daar met al die blagen op een graanzolder en sliepen in 't stro; die kinders dolden maar door elkaar en maakten een leven als een oordeel, een mens zou er gek van worden, en daar ben ik met mijn zestig jaren te oud voor. Zodra Anneke me kon missen, heb ik: 'Aju, ik groet je' gezegd en ben hier naar toe gekomen."

 

Terug naar bladzijde 210

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 212