Het Oorlogsdagboek van Mej. P Dozy over de periode 4 - 8 oktober 1944

Terug naar bladzijde 211

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 213

44M - Vervolg dagverhaal

blz 212

Wij vroegen of ze dat hele eind met haar koffertje gelopen had. "Wel nee, dat was immers veel te ver. Anneke's man heeft mij voorop de fiets, op het onderstel van de bakkersmand gepoot en zo ben ik hier gearriveerd, een been aan weerskanten van het wiel en mijn tas op de knien!"

8 October 1944 1)

De ongewone kerkgang die eerste Zondag van onze verbanning. 't Gerucht was rondgegaan dat er een dienst zou worden gehouden en tegen tienen stond dan ook een klein groepje van vijftien, zestien mensen in de druilerige regen te wachten bij de gesloten kerkdeur. De tevens als koster fungerende bakenmeester had met vrouw en kroost zijn door het bombardement deerlijk verhavende woning verlaten en een toevlucht
- 32 -
gezocht bij familie aan de overzijde van de Maas, met medeneming van de kerksleutel. Een onzer veronderstelde dat er op de Pastorie ook wel een sleutel zou zijn en ging deze halen. Wij traden de kerk binnen. De gehele ruimte lag vol glasscherven en puin, de wind gierde door de holle raamopeningen, regen met zich voerend. Onmogelijk om hier te blijven, misschien zou de consistoriekamer beter bruikbaar zijn. Een paar banken, een stoel en een tafeltje als katheder waren snel geschikt. Ineke met haar heldere stem trad op als voorzanger en mijn persoon als collectant en veroorzaakte tot eigen verwondering geen ongelukken met de lange hengelstok van het ouderwetsche collectezakje.
Zestien waren wij, een kerkeraadslid, een marechaussee en verder vluchtelingen uit verschillende streken, die allen gelijksoortige lotgevallen hadden doorstaan. Ook de predikant was een vluchteling, een die enkel het vege lijf had kunnen redden en bovendien nog in grote ongerustheid verkeerde over het lot van vrouw en kinderen die in Holland waren.
Op de twee Ravensteiners na, was 't een schamel troepje, voorgegaan door een Dominee in een besmeurde regenjas. "Waar twee of drie in Mijn naam tezamen zijn ....." Geen van dit samengeraapt troepje mensen heeft vr of na dien indrukwekkender godsdienstoefening meegemaakt dan op die Zondagmorgen, in de kille, donkere consistoriekamer, de eerste dienst na onze bevrijding. Een dienst die zoveel steun een troost en ondanks alles zoveel reden tot dankbaarheid gaf. De preek behandelde de tekst van de bittere Wateren van Mars.
Onze slotzang was het Wilhelmus en daarvan het zesde vers, het vers dat de Nsbers vergeefs getracht hebben de goede vaderlanders te ontfutselen. De Nederlandse psalm, het eigenaardige volkslied, geboren in tijden van onrust en strijd om tijdgenoten en nazaten tot stut en troost te zijn in leed en verdrukking. Machtig weerklonken de zware mannenstemmen, de vrouwenstemmen trilden van aandoening doch n welbekende jubelde er stralend bovenuit.
- 33 -
Dien namiddag zaten wij met enige Groesbekers verenigd in het Posthuis en dronken volgens oud-vaderlandse gewoonte thee - een gulle gever had ons van echte thee voorzien - toen Til van haar tocht naar Wychen terugkeerde met de tijding dat alle vluchtelingen het Gelderse moesten verlaten en naar Brabant zouden worden vervoerd. Mannen van de O.D. kwamen stro brengen in de zaal van het Posthuis en voordat de duisternis inviel verscheen een groep van een paar dozijn Groesbekers, de bakker, de smid met hunnen gezinnen en nog verscheidene anderen. Van weerszijden volgde een hartelijke begroeting en de Groesbeekers installeerden zich, tevreden weer in een veilige haven beland te zijn op hun zwerftocht. Doch wij beschouwden bezorgd het bejaarde tweetal, de bakker en zijn zuster, die half ziek aankwamen. Dat zou op de vloer op stro moeten slapen en wij in de zachte bedden boven? Neen, verzekerde hun neef, voor Oom en Tante hebben wij een paar matrassen.


[1] Deze datum komt in de originele tekst niet voor. P.S.

 

Terug naar bladzijde 211

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 213