Het Oorlogsdagboek van Mej. P Dozy over de periode 4 - 8 oktober 1944

Terug naar bladzijde 212

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 214

44M - Vervolg dagverhaal

blz 213

's Avonds deelden wij onze gastheer het voornemen mede om naar een ander kwartier uit te zien. De goede man was merkbaar opgelucht door ons voorstel, want nu het huis door zovelen bewoond werd, wilde zijn vrouw ook wel weer terugkeren.
In 't donker met Schot ons gewone loopje over den dijk makende zagen wij rondom de schijn der vuurmonden oplichten. Een nauwe, lugubere toverkring die ons omsluit. 's-Hertogenbosch nog in Duitse handen, de Betuwe eveneens voor het allergrootste deel, Arnhem opgegeven en de doorgang naar ons bevrijde gebied reeds enige malen afgesneden. Rooskleurig was de toestand nog niet. In Maas-en-Waal patrouilleert de uit Engeland gekomen Irene-Brigade en de Orde-Dienst van de streek. De Duitsers doen hier telkens invallen vanaf de overzijde van de Waal, verjagen de mannen uit de huizen, die ze in brand steken. De mannen worden neergestoken ter plaatse, z.g. "wegens hulp aan de vijand", of medegenomen als slaven-arbeiders.
Schrille tegenstelling: uit het Veerhuis galmen de klanken van muziek en gezang, daar is feest voor de soldaten.
Gelijk iederen nacht kwamen er, toen wij te bed lagen, vliegtuigen over,
- 34 -
het afweergeschut knetterde en bommen dreunden neer. Op verlangen van onzen huisheer sloten wij de buitendeur nimmer af, opdat de buren ten allen tijde in de kelder van het Posthuis veiligheid zouden kunnen zoeken. In deze open-deur-politiek stak voor ons, bovenbewoners, niet het minste risico. Geen enkele insluiper toch zou in het duister het meest halsbrekende van alle ijzeren wenteltrapjes hebben kunnen beklimmen zonder er prompt af te duikelen. Ondertussen waren wij het die dien nacht onze ledematen moesten wagen om de bevreesde buren in te laten, aangezien onze nieuwe medebewoners de voordeur veilig op slot en grendel hadden gedaan en man noch vrouw de moed kon opbrengen open te gaan doen op het onafgebroken kloppen, bellen en angstige roepen, onderwijl de ontploffingen steeds dichterbij daverden. De volgende morgen verontschuldigden zij zich: "Je kon toch nooit weten wat er was ....."
"Hazenharten!" scholden wij hen uit "en jullie bent nog wel met zovelen en zulke ferme mannen er bij!" Inderdaad had zelfs een van hen in Groesbeek geparadeerd als O.D.-er, met de oranjeband om de mouw.
De volgende dag waren wij vroeg opgestaan en spraken bij 't ontbijt af ieder op eigen gelegenheid naar een andere huisvesting te zullen gaan zoeken. Til zou op de fiets de omtrek verkennen en Lien zou naar den heer M. gaan die haar bij voorkomende gelegenheden hulp had toegezegd. Zelf begaf ik mij naar het naburige dorpje, waar Hoefnagels bij een vriend woonde. De immer hulpvaardige man had er helaas het loodje bij gelegd. Overwerkt en ziek lag hij te bed, doch beloofde toch moeite voor ons te zullen doen met behulp van zijn vriend. In de namiddag moest ik maar eens terugkomen om te horen of zij geslaagd waren.
Nieuwsgierig naar wat de speurtocht van mijn beide lotgenoten opgeleverd had, keerde ik nat en moe in het Posthuis weer. Edoch, de beide dames bleken hun morgen besteed te hebben aan een bezoek bij de kapper, wat ongetwijfeld evenmin uitstel had kunnen lijden. 't Kwam voor hen toch goed uit; reeds diezelfde middag werden zij door de bemoeiingen van Hoefnagels opgenomen in een aardig, modern landhuis, een der
- 35 -
zeldzame nieuwe woningen in het oude stadje, het was op de voormalige vestingwal gebouwd en omringd door een ruime tuin. Die niet al te best onderhouden tuin, welk een uitgezocht speelterrein vormde hij voor Henkie en zijn vriendjes; ook Paul zou er menigmaal van genieten. Alles wat een jongenshart begeren kan, was hier aanwezig. Struiken om zich in te verstoppen en hoge bomen om in te klimmen, Hoogten en laagten, een gracht om aan de waterkant te ploeteren en natte voeten op te doen bij visvangst of kikkerjacht. De onuitputtelijkste bron van genoegen vormden de onderaardse gangen, overblijfselen van de oude verstingwerken. Het was de jongens streng verboden zich hierin te wagen, maar de verzoeking was te groot, zij deden het natuurlijk toch. En dan lag er nog op het hoogste punt van de wal het tuinhuis dat uitzicht gaf op de Maas en van waar men de schietoefeningen der soldaten kon volgen en de werkzaamheden aan de spoorbrug. Dit tuinhuis zou menigmaal belegerd en bestormd worden. Want deze in oorlogstijd opgroeiende

 

Terug naar bladzijde 212

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 214