Het Oorlogsdagboek van Mej. P Dozy over de periode 4 - 8 oktober 1944

Terug naar bladzijde 214

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 216

44M - Vervolg dagverhaal

blz 215

Onze goedmoedige Groesbekers, wat men ook ten hunnen nadele te berde mag brengen, aan barmhartigheid ontbreekt het hen zeker niet. Hoe gastvrij stelden zij hun huizen niet open voor ondervoede kinderen uit eigen land zowel als uit den vreemde. En hoe liefderijk werden de ongelukkigen ontvangen die in de eerste oorlogsdagen uit hun woningen verdwenen waren.
Moeder bracht aan een zekere vrouw - Gien van den Doolhof werd zij genaamd - dat gebrek aan Christelijke barmhartigheid op treffende wijze aan het verstand. Op een keer vergezelde Moeder mij een eindweegs op een van mijn speurtochten, waarbij wij een met pakken beladen vrouw tegen kwamen. Met de scherpe intu´tie van de vluchteling voelde zij lotgenoten voor zich te hebben en begreep waar wij op uit waren. Zij duidde het door haar verlaten adres uit doch voegde er de mededeling aan toe: "Ge meugt het proberen, maar ik waarschouw oe, ik had er geen goeie schik."
De ontvangst van haar gewezen hospita deed ons dit aanstonds begrijpen.
- 37 -
Zij de ingang versperrend met haar omvangrijke gestalte, wij buiten in de druipende regen. Haar weinig welwillende woorden deden mij aanstonds rechtsomkeert maken. Moeder echter wilde deze kans niet verspelen - 't huisje lag er inderdaad aardig temidden van een appelenboomgaard - en attakeerde haar met de vraag: "Ge gaat zeker trouw naar de mis?"
"Ja, iederen dag" luidde het zelfvoldane antwoord van iemand die zich met Onzen lieven Heer volkomen in 't reine oordeelt. Hierop kreeg zij van Moeder een zo felle boetpredikatie te horen op de tekst: "wat gij aan de minste van mijn broeders hebt gedaan, dat hebt ge aan mij gedaan", dat geen geleerd prediker, hij moge R.K. of N.H. zijn geweest, het haar had kunnen verbeteren. Ineke was er getuige van en bracht er later verslag over uit. Genoeg, de uitwerking was zodanig dat de vrouw gedwee toestemde mij op te nemen. Maar ik weigerde om daar ooit een voet over de drempel te zetten. Was 't trots of koppigheid of bestaan er inderdaad beschermengelen die ons stervelingen goede inblazingen geven?
Onnodig alle vergeefse pogingen, alle teleurstellingen verder op te halen. juist toen mijn stemming volkomen beneden peil gedaald was en ik 't gevoel kreeg alsof er nergens op de wereld meer een plaatsje voor mij over was, raadden zowel Bruggers als Zuster Marie mij aan om eens te gaan vragen bij het huis aan 't einde van de Plaats. Volgens hun zeggen zou daar zeker wel ruimte zijn, al was 't gezin groot. Uiterlijk zou men dat niet veronderstellen, 't was een weinig opvallend ouderwets huis met twee deuren en twee ramen, zonder verdieping maar met een uitzonderlijk hoog dak dat bekroond werd door een sierlijk gekrulde klokkestoel waarin een luiklokje hing. Het ijzerwerk van de klokkestoel vormde de letters I.H.S., in hoc signo, de kenspreuk der Jesuiten, met een kruis. Volgens de overlevering zouden een paar eeuwen geleden Jesuitenpaters hier gewoond hebben. Dit huis maakte met het hek waar het Parochiehuis achter lag, de derde zijde uit
- 38 -
van de Plaats die aan de twee andere kanten begrensd werd door de tuinmuur en woning van den Koster en de muur van Bruggers' tuin. Het gehele complex lag op een bastion van de voormalige vesting, het werd afgesloten door de gracht en had slechts een enkele toegang vanaf de Walstraat.
Nog stond ik in beraad of ik wel bij de juiste van de twee deuren had aangebeld of deze ging al open. Een rond, ouder vrouwtje keek mij met een paar pientere oogjes onderzoekend aan; zij beschouwde mij van het hoofd tot de voeten, doch niet op hinderlijke wijze. Even stonden wij zo zwijgend tegenover elkander, ieder woog de andere. Tot welke slotsom zij kwam, kon ik enkel raden, mijn indruk was dat zij geleek op de moeder van bruintje Beer, de held van het bekende kinderverhaal.
Vriendelijk klonk het antwoord op de reeds zo talloze malen vergeefs gestelde vraag naar onderdak: "Ge meugt hier gerust een paar nachten komen slapen met oewen 'ond en wel blieven ook als ge niets anders vindt."
Er ging iets aantrekkelijks uit van deze eenvoudige, moederlijke vrouw, van dit oude huis, van de nette tuin die te zien was aan 't einde van de glimmende zwart marmeren gang.
Na die laatste nacht in het Posthuis onthaalde ik mijzelf op een grondige waspartij en bracht de kamers zo goed mogelijk in orde, met deze werkzaamheden ging de gehele morgen heen. Tegen

 

Terug naar bladzijde 214

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 216