Het Oorlogsdagboek van Mej. P Dozy over de periode 4 - 8 oktober 1944 Slot

Terug naar bladzijde 215

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 217

44M - Vervolg dagverhaal

blz 216

etenstijd bij Vader en Moeder komende, wachtte daar een aangename verrassing: onze vrienden de Groesbeekse Dominee en zijn vrouw. Zij hadden met een auto mee kunnen rijden naar Ravenstein en vertelden onderdak te hebben gevonden op een boerderij bij Leur, samen met het gezin van een kerkeraadslid. 't Zou waarschijnlijk niet voor lang zijn, daar alle vluchtelingen aanzegging gekregen hadden om over de Maas naar Brabant te trekken. De Geallieerden gevoelden bezwaren tegen de opeenhoping van mensen vlak achter het front, die hun bewegingen belemmerden. Zij zagen
- 39 -
daarbij een mogelijkheid onder ogen waar wij met ons onbegrensd vertrouwen in Geallieerde macht niet aan dachten, n.l. aan een terugdrijven van het tegenwoordige front. De débacle die een terugtocht gegeven zou hebben in dat met mensen overvulde gebied .....
Die namiddag ging ik naar Wychen om te trachten uit te vinden wat er van verschillende vrienden en bekenden was geworden en in 't bizonder om te zien of wij onze oude vriendin, die ik de vorige keer nog in het klooster Tienakker gesproken had, van dienst konden zijn.
't Was druk op dijken en wegen met grote legerwagens vol munitie. Nu lagen de geweldige voorraden granaten niet meer uitsluitend op de uiterwaarden doch eveneens langs de wegen opgestapeld. De Kasteellaan was aan weerskanten omzoomd door hoge wallen van projectielen. Vriendelijk grijnzende negers bewaakten ze tegen de opdringende belangstelling van de dorpsjeugd.
Een vijandelijk vliegtuig streek over, ergens ratelde afweergeschut, in de nabijheid vielen bommen. Welk een ramp zou reeds een enkele bom hier met al die munitie in dit overvolle dorp kunnen veroorzaken! De noodzaak om de tijdelijke bevolking naar elders te verplaatsen was duidelijk.
Rondom het klooster Tienakker lagen Schotse troepen gelegerd. De van het vorige bezoek bekende deur binnen- en de trap opgaande, waren er niets dan verlaten, lege ruimten te zien. Beneden geklopt op een willekeurige deur, een boom van een Schot opende deze. Neen, hij kon mij niet inlichten, misschien zou de Padre kunnen helpen, en hij bracht mij bij een eveneens zeer vriendelijke Capucijnerpater. De Padre veronderstelde dat de bewoners van het Groesbeekse klooster naar Uden waren vervoerd, "maar vraagt U 't aan de Zusters hier" en hij geleidde mij buitenom naar een deur zo groot als een kasteelpoort. Deze machtige poort opende zich langzaam, met moeite, wat geen wonder was want er achter vandaan verscheen een klein meisje van naar schatting een jaar of tien. Een grappig figuurtje met haar korte rokjes en stijve
- 40 -
vlechtjes en de zelfverzekerdheid van een oude dienstmaagd, waar zij ook het lange witte schort van droeg, dat bij haar tot op de schoenen hing. Zij liet mij in een vertrek met vele boekenrijen langs de wanden, kennelijk de bibliotheek. Er heerschte een zeer weinig kloosterlijke wanorde; een veldbed, geweren, scheergerei en Engelse kranten lagen verspreid, ook hier huisden soldaten.
De verschrikt uitziende Zuster Portierster verzekerde nergens iets van af te weten - uit overgrote voorzichtigheid naar 't mij toescheen - en loodste mij fluks het gebouw weer uit.
Na veel vragen en omzwervingen door geheel Wychen voerde de weg opnieuw naar het klooster. Op de besliste verklaring de Moeder-Overste zelf te moeten spreken bracht de kleine dienstmaagd mij ditmaal in een ascetisch propere kloosterspreekkamer die onberoerd door de militairen was gebleven. Lang liet de Moeder-Overste niet op zich wachten. Zij vertelde dat niemand, de soldaten die de wagens bestuurden niet uitgezonderd, de bestemming had geweten van het transport hetwelk de Groesbeekse Zusters vervoerde. Alleen de Commandant, hij had op haar vraag geluidloos met de lippen de naam Uden gevormd, echter dadelijk daarop tot zwijgen aanmanend de vinger op de mond gelegd.
"Maar ik kon de Moeder-Overste van Mariendaal toch ook niet in ongerustheid laten" zeide zij met een fijn lachje "en daarom heb ik haar verzekerd overtuigd te zijn dat zij zich allen vanavond volkomen thuis zouden gevoelen en voorzeker van ganscher harte een Te Deum zouden aanheffen!"

 

Terug naar bladzijde 215

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 217