Het Oorlogsdagboek van Mej. P Dozy over de periode 8 - 18 Oktober

Terug naar bladzijde 216

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 218

44N - Vervolg dagverhaal

blz 217

Nu restte nog te weten wat er van de dames van Mariendaal geworden was. Men had hen eveneens met een grote wagen weggevoerd, doch zij kon evenwel zelfs niet gissen met welke bestemming. Zo hadden wij onze oude vriendin geheel uit het oog verloren en konden niets meer voor haar doen dan hopen dat het lot de bijna tachtigjarige genadig mocht zijn.
- 40a -
Bij het kasteel van Wychen kwam ik door een gelukkig toeval een Groesbeker tegen die mij kon vertellen waar de kinderen van onze oude tuinman onderdak hadden gevonden. De grote bewaarplaats van een brandstoffenhandelaar, zwart van 't gruis en half open. In een afgesloten hokje, niet al te dicht en niet al te proper, huisden de drie jonge echtparen: de jonge tuinman Theo en zijn vrouw, zijn zuster Dina - eveneens een goede bekende, zij had voor haar huwelijk bij ons gediend - met haar man Wim, de machinist van de boterfabriek. Het derde span bestond uit Wim's zuster en haar man de postbode.
Arme Dina barstte in tranen uit toen ik naar haar kindje vroeg. "Ons Dineke is dood! Zij was al ziek geworden in Groesbeek, ze kon er niet tegen, die hele dagen en nachten in de kelder en 't was toch altijd zo'n gezond kindje. Deze dokter kon haar ook niet beter maken en nu is zij drie dagen geleden gehemeld, wij hebben haar hier begraven."
De anderen begonnen over de laatste dagen in Groesbeek en over hun vlucht te vertellen, een lang relaas dat eindigde met: "'t Is hier wel niet zo mooi waar wij zitten, maar och, wij zijn hier nu gewend en nou moeten we weer vort, Zondag al. Ze zullen ons nog verder van huis brengen, over de Maas naar Ravenstein in Brabant. Weet U soms waar dat ergens ligt?"
"Dat zou ik denken, dan komen jullie bij ons! In Ravenstein zitten een hele massa Groesbekers!"
"Bent U daar heus met de gehele familie en zijn er nog meer uit ons dorp?" klonk het verheugd "Dus dan komen we er niet helemaal tussen vreemden, nu dan zullen we 't er ook wel zolang kunnen uithouden!"
"En allicht krijgen jullie er een beter onderdak dan hier" hield ik hen voor. Het viel de Groesbekers zo zwaar om in den vreemde te leven. Voor ons betekende het enkele feit in een andere omgeving te moeten
- 40b -
vertoeven geen ramp op zich zelf. Hoe menigmaal hadden wij niet louter voor genoegen en ontspanning vreemde plaatsen en landstreken bezocht. Voor ons werd het gedwongen verblijf ver van huis en haard tot een beproeving door het ontbreken van de gemakken waaraan wij gewoon waren en vooral door het ontberen van zovele dingen die ons leven veraangenaamd en geestelijk verrijkt hadden.
Voor het merendeel der Groesbekers, die ternauwernood of nooit van huis waren geweest, was het juist het gemis van de vertrouwde omgeving dat het zwaarste woog. De jongeren voelden zich onwennig en verloren zonder hun dagelijkse werk. De huisvrouwen hadden te kampen met allerlei ongewone zorgen en ongemakken die de primitieve huisvesting meebracht. Vele oudjes werden ziek van heimwee, een menigeen heeft de scheiding en wellicht in nog sterker mate de aanschouwde verwoesting van al het vertrouwde een voortijdige dood bereid.
Onze oude tuinman en zijn vrouw waren slechts kort in Wychen geweest. Theo had zijn oudste zuster een haar man, die op een boerderij in Brabant woonden, weten te waarschuwen en dadelijk waren zij met kar en paard gekomen om vader en moeder af te halen. Op die boerderij hebben zij de gehele evacuatietijd wel niet rustig - 't huis lag vlak bij het grote vliegveld van Uden - maar toch in bekende omgeving en omringd door liefdevolle zorgen doorgebracht.
Die avond betrok ik mijn nieuwe kwartier. Weer was 't het moederlijke vrouwtje dat de voordeur opende en mij naar de grote achterkamer
- 41 -
bracht. Een kamer uit betovergrootvaders tijd, vrij laag van verdieping met een groen geverfde balkenzoldering en vensterbanken om in te zitten. Thans waren de binnenluiken gesloten, overdag zou ik bemerken dat de vensters uitzicht gaven op tuinen begrensd door de buitengracht.

 

Terug naar bladzijde 216

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 218