| 44N - Vervolg dagverhaal |
blz 220 |
hij is Jack, mijn vriend. Wij komen uit Brighton en
hebben altijd naast elkaar in dezelfde straat gewoond en zijn altijd
vrienden geweest." Heel langzaam en duidelijk werd het
uitgesproken, volkomen volgens de aanwijzingen van de boekjes met
instructies voor het verkeer met continental people. Zo geanimeerd als
een kind een lesje opzegt. Bij de verzekering dat zij gewoonweg konden
praten, werd het gesprek natuurlijker zonder nog bepaald te vlotten, al
kwamen thans de kiekjes van de familie voor den dag, 't gebruikelijke
ritueel voor de kennismaking.
Schotje zou wel weer helpen om 't ijs volledig te breken. De brave hond
werkte al zijn kunstjes af en vooral het paradestukje oogstte grote
bijval. Dit bestond in het weigeren van een lekker stukje indien het hem
uit Hitlers naam aangeboden werd en het aannemen zo dit naar 't zeggen
van de Koningin kwam. Voor het eerst vertoonde ik deze kunst in 't
Engels, hopende dat het schrandere dier mij niet te schande zou maken en
inderdaad, 't lukte wonderwel.
Na een vraag over de Duitse bezetting begon ik te vertellen over wat ons
land in de jaren van verdrukking te lijden had gehad, waarop het
wederwoord volgde: "Onze propaganda heeft er ons van gesproken,
doch wij geloofden er niet veel van, 't geleek ons flink overdreven. De
mensen in Son waar wij vandaan komen, vertelden ons hetzelfde en nu U
eveneens. 't Is dus waar dat die dingen werkelijk gebeurden, 't is
nauwelijks te geloven dat zogenaamd beschaafde mensen dergelijke dingen
kunnen doen."
Jack, die meestal aan Frank het woord liet, noemde hier de naam
- 46 -
Breendonck. De onbekende naam die in België dezelfde beruchte klank had
als voor Nederlandse oren Amersfoort en Vught. "Ze hebben ons er
door rondgeleid, door het gehele concentratiekamp, het was
afschuwelijk."
Vanzelf geraakte het gesprek ook op de jongste belangrijke voorvallen,
de invasie, Arnhem, Nijmegen, Groesbeek. "De mannen die daar
gevochten hebben, verklaren dat Groesbeek tot het ergste behoorde wat
zij ooit doormaakten."
"Mijn familie en ik waren daar tot het laatst, tot het dorp
ontruimd moest worden."
Twee paar onderzoekende ogen waarin een onuitgesproken vraag en antwoord
stond te lezen en dan de woorden: "Dus U weet wat Het is", in
't midden latend wat dat kleine woordje "Het" insloot. Van dit
tijdstip af was er een band van kameraadschap tussen ons, de
kameraadschap die de vuurdoop geeft. Waarin ook Schra werd opgenomen
toen zij vernamen dat hij aan de Grebbe had meegevochten, een feit
hetwelk overigens volkomen door hem doodgezwegen werd.
Met de virtuositeit der Engelsen om voor alles en iedereen een geschikte
bijnaam te verzinnen, viel mij van die stonde af de naam Miss Groesbeek
toe. Mijn eigen naam {Dozy, P.S.}, uitgesproken gelijk aan het woord
voor slaperig in het Engels, werd dadelijk afgekeurd als: "niet
passend voor U."
Dien avond en vele volgende avonden vertelden Frank en Jack over hunne
belevenissen in de oorlogsjaren. Meestal was Frank aan 't woord en
luisterde Jack toe, zijn bruine ogen met de uitdrukking van een trouwe
hond gevestigd op den vriend die alles zo goed in woorden wist te
brengen. Wat verstand en kennis betreft was Jack zeer zeker de mindere
van de twee, doch wij mochten hem ook graag, misschien juist om die
onverholen bewondering voor zijn knappe vriend. Hoe kon hij zonder enige
afgunst opgeven over Frank's kundigheden. Zo b.v. over talen:
"Frank wist zich bijna dadelijk vlot in 't Italiaans en Frans uit
te drukken en nu moet je hem weer Nederlands horen spreken, 't is een
- 47 -
wonder gewoon, ik begrijp niet hoe hij het hem lapt!" Gezien de
hoedanigheid van dit z.g. Nederlands koesterden wij gerechte twijfel
over de kwaliteit van de andere talen. Hoewel volmondig toegegeven moet
worden dat hij een buitengewone handigheid bezat om zich verstaanbaar te
maken. Misschien droeg zijn innemende glimlach daar ook wel het nodige
toe bij.
Het relaas over de oorlogsjaren vormde geen aaneengeschakeld geheel.
Menig uur werd doorgebracht met grapjes en behendigheidskunstjes en
vooral met kaartspelen. "Hier moeten wij niet hoog spelen" was
de opmerking bij het eerste spel, een opmerking die de Tolk niet
vertaalde. Hoger dan centen ging de inzet niet en buurman de Koster was
altijd bereid groter geld in te
|