Het Oorlogsdagboek van Mej. P Dozy over de periode 8- 18 oktober 1944 Vervolg

Terug naar bladzijde 219

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 221

44N - Vervolg dagverhaal

blz 220

hij is Jack, mijn vriend. Wij komen uit Brighton en hebben altijd naast elkaar in dezelfde straat gewoond en zijn altijd vrienden geweest." Heel langzaam en duidelijk werd het uitgesproken, volkomen volgens de aanwijzingen van de boekjes met instructies voor het verkeer met continental people. Zo geanimeerd als een kind een lesje opzegt. Bij de verzekering dat zij gewoonweg konden praten, werd het gesprek natuurlijker zonder nog bepaald te vlotten, al kwamen thans de kiekjes van de familie voor den dag, 't gebruikelijke ritueel voor de kennismaking.
Schotje zou wel weer helpen om 't ijs volledig te breken. De brave hond werkte al zijn kunstjes af en vooral het paradestukje oogstte grote bijval. Dit bestond in het weigeren van een lekker stukje indien het hem uit Hitlers naam aangeboden werd en het aannemen zo dit naar 't zeggen van de Koningin kwam. Voor het eerst vertoonde ik deze kunst in 't Engels, hopende dat het schrandere dier mij niet te schande zou maken en inderdaad, 't lukte wonderwel.
Na een vraag over de Duitse bezetting begon ik te vertellen over wat ons land in de jaren van verdrukking te lijden had gehad, waarop het wederwoord volgde: "Onze propaganda heeft er ons van gesproken, doch wij geloofden er niet veel van, 't geleek ons flink overdreven. De mensen in Son waar wij vandaan komen, vertelden ons hetzelfde en nu U eveneens. 't Is dus waar dat die dingen werkelijk gebeurden, 't is nauwelijks te geloven dat zogenaamd beschaafde mensen dergelijke dingen kunnen doen."
Jack, die meestal aan Frank het woord liet, noemde hier de naam
- 46 -
Breendonck. De onbekende naam die in BelgiŽ dezelfde beruchte klank had als voor Nederlandse oren Amersfoort en Vught. "Ze hebben ons er door rondgeleid, door het gehele concentratiekamp, het was afschuwelijk."
Vanzelf geraakte het gesprek ook op de jongste belangrijke voorvallen, de invasie, Arnhem, Nijmegen, Groesbeek. "De mannen die daar gevochten hebben, verklaren dat Groesbeek tot het ergste behoorde wat zij ooit doormaakten."
"Mijn familie en ik waren daar tot het laatst, tot het dorp ontruimd moest worden."
Twee paar onderzoekende ogen waarin een onuitgesproken vraag en antwoord stond te lezen en dan de woorden: "Dus U weet wat Het is", in 't midden latend wat dat kleine woordje "Het" insloot. Van dit tijdstip af was er een band van kameraadschap tussen ons, de kameraadschap die de vuurdoop geeft. Waarin ook Schra werd opgenomen toen zij vernamen dat hij aan de Grebbe had meegevochten, een feit hetwelk overigens volkomen door hem doodgezwegen werd.
Met de virtuositeit der Engelsen om voor alles en iedereen een geschikte bijnaam te verzinnen, viel mij van die stonde af de naam Miss Groesbeek toe. Mijn eigen naam {Dozy, P.S.}, uitgesproken gelijk aan het woord voor slaperig in het Engels, werd dadelijk afgekeurd als: "niet passend voor U."
Dien avond en vele volgende avonden vertelden Frank en Jack over hunne belevenissen in de oorlogsjaren. Meestal was Frank aan 't woord en luisterde Jack toe, zijn bruine ogen met de uitdrukking van een trouwe hond gevestigd op den vriend die alles zo goed in woorden wist te brengen. Wat verstand en kennis betreft was Jack zeer zeker de mindere van de twee, doch wij mochten hem ook graag, misschien juist om die onverholen bewondering voor zijn knappe vriend. Hoe kon hij zonder enige afgunst opgeven over Frank's kundigheden. Zo b.v. over talen: "Frank wist zich bijna dadelijk vlot in 't Italiaans en Frans uit te drukken en nu moet je hem weer Nederlands horen spreken, 't is een
- 47 -
wonder gewoon, ik begrijp niet hoe hij het hem lapt!" Gezien de hoedanigheid van dit z.g. Nederlands koesterden wij gerechte twijfel over de kwaliteit van de andere talen. Hoewel volmondig toegegeven moet worden dat hij een buitengewone handigheid bezat om zich verstaanbaar te maken. Misschien droeg zijn innemende glimlach daar ook wel het nodige toe bij.
Het relaas over de oorlogsjaren vormde geen aaneengeschakeld geheel. Menig uur werd doorgebracht met grapjes en behendigheidskunstjes en vooral met kaartspelen. "Hier moeten wij niet hoog spelen" was de opmerking bij het eerste spel, een opmerking die de Tolk niet vertaalde. Hoger dan centen ging de inzet niet en buurman de Koster was altijd bereid groter geld in te

 

Terug naar bladzijde 219

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 221