Het Oorlogsdagboek van Mej. P Dozy over de periode 8 - 18 oktober 1944 Vervolg

Terug naar bladzijde 222

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 224

44N - Vervolg dagverhaal

blz 223

Wij hadden ruimschoots gelegenheid om al deze dingen op te merken, de preek vermocht ons niet te boeien, noch het hart te verwarmen. Of lag 't aan de ijzig kille atmosfeer in de kerk? Wij zaten met ons drieŽn dicht opeen gedrongen, warmte zoekend tegen elkaar aan. Bij geluk was 't een gesloten bank. Boer Romein had ons plechtstatig naar de Herenbank geleid, zeggende dat wij hierover voortaan beschikken konden. Voor ons op de lessenaar lagen psalmboeken die zeker dateerden uit den tijd van den oprichting, een el hoog, met vierkanten noten en letters van een formaat dat op tientallen meters afstand nog te lezen was.
Verkleumd, versteend tot in merg en been kwamen wij thuis en namen ons voor om ons in 't vervolg met reisdekens te wapenen tegen de koude.
- 52 -
De drie jonge paren uit Wychen zouden tegen het middaguur in Ravenstein aankomen en wij hadden ons voorgenomen om hen aan 't veer te begroeten. Na de kille kerk lokte de koude, winderige dijk weinig aan. Toch even de veerweg afgelopen; daar reed juist een wagen met het zestal de pont af en tegen den dijk op, zodat wij hen bij het binnenrijden van Ravenstein het welkom konden toeroepen.
Op deze Zondagmiddag zijn wij uitgenodigd bij mevrouw B., met welke dame Ineke reeds kennis gemaakt heeft door hare zusters, die in de gaarkeuken helpen met de uitdeling van het eten. Haar woning is blijkbaar voor de gehele familie de voortzetting van het ouderlijk huis. De ongetrouwde zusters vinden er hun thuis, de broeders - twee zijn geestelijken - komen er telkens binnenvallen. Mevrouw B. is weduwe, zij heeft een paar dochters, aardige lieve meisjes van vijftien, zestien jaar. En dan is er nog een klein maar zeer gewichtig personage in huis en wel rondwangige, blozende, bruinogige Monica, Moontje genaamd, een nichtje uit Amsterdam, nauwelijks drie turven hoog en nog geen drie jaren oud. Van den zomer was zij uit Holland naar Brabant gebracht om in dat land van overvloed aan te sterken en nu, door de bevrijding van hare ouders afgesneden, is zij bij de Tantes gebleven, waar zij zich volkomen thuis voelt. Niemand zou thans in Moontje een Amsterdams Bleekneusje vermoeden, zij is Brabants welvaren.
Zesjarige Paultje verloor aanstonds aan Moontje zijn hartje, door haar deed hij zijn eerste ondervindingen met meisjes op. Paultje, die altijd de leiding nam met spelletjes en ook over oudere jongens de baas wist te spelen, schikte zich gewillig naar wat Moontje decreteerde. Want als Moontje ergens geen zin in had en neen zeide, dan bleef het neen, mollige Moontje was zo hard als een keisteen. Dat gaf wel eens een voor beiden zeer heilzame botsing, doch 't slot was toch altijd dat Paul edelmoedig bakzeil haalde en het door Moontje verkozen spel meespeelde. Ongemerkt sloegen wij vanuit de voorkamer het gedoe in de als kinderkamer ingerichte serre gade en vermaakten ons er
- 53 -
kostelijk mee.
Als wij zo genoegelijk en huiselijk samen zitten, volgt de uitnodiging om te blijven voor het avondeten. Hoe gezellig was dat, bij kaarslicht, aan een keurig gedekte tafel. En hoe voortreffelijk alles wat wij voorgezet kregen: een ragout van wild konijn, fijn wittebrood met worst en spek van eigen slacht, zelfgemaakte jam.
Gedurende een paar uur vergaten wij vluchtelingen te zijn, om het op de terugweg naar het stadje weer dubbel en dwars te gevoelen. 't Stortregende en 't was aardedonker. Als men ons niet een electrisch lampje meegegeven had, zouden wij geen heg of steg hebben kunnen onderscheiden. Zoals gebruikelijk bij de toegangswegen tot vestingen, kronkelde ook deze weg met enige scherpe hoeken voordat hij de brug over de gracht bereikte. De brug lag niet in de as van de weg en menigeen liep daar bij duisternis ongewild de steile kant af en het water in. Wat voor een voetganger gevaar opleverde, deed dit in nog veel grotere mate voor het wagentje van Vader. Op al de duistere Zondagavonden dat wij langs dit punt kwamen heeft Vader waarschijnlijk meer angsten uitgestaan dan hem ooit vroeger in moeilijker omstandigheden te paard, per auto of in een vliegtuig overkomen was. Gelukkig bemerkten thans een paar mannen van de O.D. het wagentje. Zij gingen ons voor en verlichtten met hun lantaarns onze weg. En bij de Plaats nam de wacht met zijn toorts hun taak over.

 

Terug naar bladzijde 222

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 224