Het Oorlogsdagboek van Mej. P Dozy over de periode 8 - 18 oktober 1944 Vervolg

Terug naar bladzijde 224

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 226

44N - Vervolg dagverhaal

blz 225

zwarte bouwsel van de molen zich hoog af tegen de hemel, wit lichtten de grafstenen van het kerkhof dat tegen het glacis aanlag. Indien men in Ravenstein weinig hoop op het herstel van een zieke koesterde, drukte men dat uit door te zeggen: "De arme zal wel binnenkort naar den Meulenberg gedragen worden" en zo een kind zonder jas in de kou onbedachtzaam naar buiten liep, riep men het na: "Wilde-ge dan zo geern op den Meulenberg liggen?"
- 56 -
's Morgens wanneer wij de Plaats overstaken, klonk van uit en van achter de wagens een vriendelijk veelstemmig "Good morning". 's Avonds bij 't geluid van voetstappen op de keien, flikte een toorts aan: "Wel, bent U 't, miss Groesbeek, ik zal U naar de deur brengen" en dan werden Vrouw en Hond langs de wagens heen geloodst tot aan hun woning.
Er stonden ook wel eens onbekende soldaten op wacht, dan moesten wij uitleg geven waarom wij de Plaats wilden betreden. Een enkele volgde ons met wantrouwende blikken of wij werkelijk de aangeduide huisdeur binnengingen. Eens was er een vreemde schildwacht die ons zelfs niet belichtte. Na 't "Who is there?" meenden we de dreigende klik van een geweer te horen.
"Lady with dog" luidde het nuchtere antwoord. Een stilte volgde. Schot en ik bleven in afwachting roerloos staan. Effen klonk het wederwoord met de herhaling geheel volgens voorschrift: "Pass on, lady with dog", waarop een niet reglementair onderdrukt gegrinnik volgde.
Theo de tuinman verscheen reeds de volgende morgen bij Vader en Moeder. "Wel, Meneer en Mevrouw, er is veel gebeurd sinds ik 't laatst op Vogelsangh ben geweest" begon hij vormelijk, om na een blik over de armelijke kamer en op 't uitzicht van de gammele konijnenhokken, in een hartgrondig schoon weinig parlementair "Potverdorie, jullie zitten hier ook niet al te best" uit te barsten.
Sedert de Zaterdag vr de invasie hadden wij elkander niet weer gezien, zodat begrijpelijkerwijze het gesprek op de eerste dag van onze bevrijding kwam. Theo vertelde wat hen overkomen was: "Wij hadden ook wel gevonden dat er die morgen erg gebombardeerd werd en in de kerk tijdens de mis waren veel mensen angstig geworden, maar ja, bombardementen hadden wij al zoveel meegemaakt en vliegtuigen al zo dikwijls horen overkomen, wij sloegen er verder weinig acht op. Terwijl wij zaten te eten, slopen er soldaten om ons huis heen en verborgen zich achter de hooimijt, achter de heg of in een kuil. Vader zeide nog:
- 57 -
"Net zo leerden wij 't ook te doen met de velddienstoefeningen in den tijd dat ik in dienst was."
Ze hadden er niets anders dan een oefening in gezien en zelfs niet bemerkt dat er vliegtuigen gedaald waren op de akkers aan de andere zijde van het huis. De soldaten waren wel wat anders gekleed dan de Duitsers er gewoonlijk uitzagen, maar wie kan nu al die uniformen uit elkaar kennen?
Doch toen zij de ferme knallen van het schieten met de scherpe patronen hoorden, toen links en rechts om hen heen gevochten werd, drong het tot hen door dat de bevrijders eindelijk gekomen waren en het geraden zou zijn om in de kelder schuil te zoeken.
"Ik had nog wel eens naar jullie toe willen gaan en zien of ik ergens mee helpen kon, maar U begrijpt, ik wilde Vader en Moeder en de Vrouw niet alleen laten, want je wist toch nooit wat er in de tussentijd zou kunnen gebeuren."
Wij gingen met Theo mee terug om te zien waar het zestal terecht was gekomen. In de Maasstraat, een donker winkelhuis, boven achter stond de opslagruimte leeg. Niks in de winkel, dus ook niks in het magazijn, schoon wij later zouden ondervinden dat er onder de toonbank nog wel iets aanwezig was.
De huisvesting was ontegenzeggelijk veel beter dan in de kolenschuur van Wychen. Maar toch ..... 't Gevlekte behang van een vorige eeuw, een paar stoelen, een houten bank zonder leuning, als tafel eenige planken en schragen. In de hoek een smal venster waarvan slechts een enkele ruit het bombardement op de brug overleefd had, het ontbrekende glas was met karton aangevuld. Door die ene ruit een ruim overzicht over den dijk en de uiterwaard op de rivier en de Gelderse oever. Het raam lag op het Noord-Oosten, de koudste windrichting. En toch zou dit raam meestal open staan,

 

Terug naar bladzijde 224

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 226