Het Oorlogsdagboek van Mej. P Dozy over de periode 18 - 29 oktober 1944 Vervolg

Terug naar bladzijde 227

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 229

44O - Vervolg dagverhaal

blz 228

Zuster Marie komt op een morgen mijn kamer inspecteren, rondkijkend bromt zij tevreden. Vervolgens wordt mijn bed aan een zeer grondig onderzoek onderworpen en aangezien de onderlaag enkel uit een ouderwetse springbak bestaat, als te hard veroordeeld. Na een half uurtje keert zij terug met een deken over de arm, "Hier, die heb ik zelf nog over en de kostersvrouw heeft een verenbed ongebruikt liggen, dat kunt U ook lenen. Ze wilde 't eerst niet afstaan, maar ik zei tegen haar: Ik zie jou al op zo'n hard kreng liggen! Je weet ook nog wel uit den tijd dat je in den Haag bij de Grootheid diende, wat voor zachte bedden die lui gewoon zijn en nu is 't voor Onzen Lieven Heer toch niet verantwoord dat je dat ding hier ongebruikt laat liggen, terwijl een ander het nodig heeft." Wereldwijze Zuster Marie voegde er aan toe: "Kom 't nu maar gauw halen, anders krijgt ze nog berouw over haar vrijgevigheid."
De Kostersvrouw hielp heel gedienstig om 't onhandige dikke bed over de Plaats te dragen en op mijn legerstede te vleien, die nu nog hoger is geworden. 's Avonds bemerk ik hoe verrukkelijk zacht en warm de veren liggen. En terwijl ik van deze ouderwetse weelde geniet, maak ik mijzelf voor een schaamteloze sybariet uit, daar thans zovele vluchtelingen zich met een hard stroleger moeten vergenoegen.
Evenwel, een verenbed bleek ook nadelen te bezitten, tenminste in onervaren handen. Om mijn huisgenoten geen onnodige last te bezorgen en vooral ook om enige bezigheid te hebben, had ik aanstonds met Moeder van Tilborg afgesproken zelf voor het in orde houden van mijn kamer te zullen zorgen. 's Morgens zou ik dus het verenbed eens eventjes
- 63 -
opschudden en terecht leggen. Doch dat ging maar zo niet in een oogwenk, ongelofelijk hoe zwaar en onhandelbaar zo'n ding kan zijn. Toch wilde ik geen hulp gaan halen, ik worstelde moedig voort, net zolang totdat het redelijk vlak scheen te liggen. Schotje keek vanuit zijn mand belangstellend toe. Ik meende leedvermaak in zijn schrandere ogen te bespeuren. Hij stelde waarschijnlijk met genoegen vast dat een mens even goed als een hond, wel eens moeite heeft met het in orde brengen van zijn leger. 't Enige verschil is dat een mens dan rustig zijn gang kan gaan, al duurt het nog zo lang; doch als een hond aan 't krabben en draaien blijft, krijgt hij, onredelijk genoeg, een boos woord of een slof naar zijn kop geslingerd.
Nu wij toch op het chapiter honden zijn beland, moge hier gememoreerd worden hoe onze viervoeters zich hun plaatsje in de Ravensteinse hondenmaatschappij veroverden.
De ontvangst die hun soortgenoten hun bereidden was verre van welwillend. Ze schenen onderling afgesproken te hebben om die ingebeelde rashonden eens eventjes op hun rechtmatige plaats van nauwelijks gedulde vluchtelingen te zetten. Schotje lokte met zijn fiere, uitdagende houding de hoofdaanval tot zich, vier, vijf straatrekels traden dreigend en vervaarlijk grommend op hem af. Schot, volgens Napoleon's stelregel die luidt: "l'attaque est la meilleure défense", of in goed Hollands: "de eerste hap is een daalder waard", Schot verspilde geen tijd met woorden maar deelde onverwijld links en rechts enige wèlgeplaatste knauwen uit, zodat de haren in 't rond stoven en de gehele troep jankend de poten nam. Geen hond waagde het voortaan meer hem lastig te vallen en zijn kameraad Joris, die toch enkel belanghebbend toeschouwer was geweest, genoot mee van de vruchten van deze overwinning.
't Grappige was dat van stonde af aan alle Fikjes en Fidels van de straat weggevaagd waren zodra Schot van Vogelsangh, de Schrik der Ravensteinse Honden met stijve poten en steil opge-trokken staartje zijn
- 64 -
wandeling ging maken. Maar achterom kijkend zag men om de hoeken van huizen en door heggen voorzichtige hondensnoetjes gluren of die gevaarlijke hond, dat verschrikkelijke ondier, al uit de straat verdwenen was.
's Middags na een wandeling bij mijn familie komend, vind ik Vader alleen thuis, met de uitdrukking van wijlen Job op het gelaat, zittend in een vrijwel leeggedragen kamer.
"Wat is hier aan de hand?" "De bakenmeester is weer in zijn huis getrokken en nu heeft hij zijn meubels die hier zolang stonden opgehaald, de twee tafels, het kastje. Wat moeten wij nu?"

 

Terug naar bladzijde 227

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 229