Het Oorlogsdagboek van Mej. P Dozy over de periode 18 - 29 oktober 1944 Vervolg

Terug naar bladzijde 229

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 231

44O - Vervolg dagverhaal

blz 230

waren de fruitboeren blij althans een deel van hun oogst, die dat jaar buitengewoon overvloedig was, te kunnen kwijtraken. Op een van die tochten om vruchten te halen ving ik het volgende gesprek tussen onze Paultje een zijn vriendje Henkie op. De beide kleine jongens stapten een eindje voor mij uit, druk redenerend als een paar zorgelijke oude mannetjes. Ze hadden mijn aanwezigheid blijkbaar vergeten. De handjes diep in de zakken gestopt; 't was guur op de winderige dijk en beider wanten waren achtergebleven bij de vlucht uit Groesbeek. Paultje slank, tenger en kaarsrecht in het uit de uniformjas van zijn vader gemaakt grijs-groen overjasje. Henkie groter en forser maar thans met door de zwarigheden des levens gebogen schouders.
- 67 -
Henkie verklaarde met ongeveinsde wanhoop in zijn stem dat hij het eten niet meer naar binnen kon krijgen sedert hij er ziek van was geworden. "Och j, laat je niet kisten!" Die uitdrukking had zijn opgewekte vriendje bepaaldelijk niet van zijn keurige grootouders geleerd. "Als je maar wilt krijg je 't best naar binnen." "Ja maar ik wil juist niet, dat rotspul kan ik niet slikken, ik word er misselijk van."
Paultje die pas aan de maaltijd gelijksoortige argumenten had aangevoerd om zijn portie te laten staan, herhaalde nu heel wijs alle wederleggingen die hij zelf te horen had gekregen. Tot heimelijk vermaak van zijn tante, hij had blijkbaar zijn les goed onthouden. Het gelukte hem werkelijk zijn vriend uit de put te helpen en even later holden zij weer als een paar zorgeloze jongens met de hond de dijk op en af.
Een of twee malen per week gingen wij vruchten halen bij een boerderij op een half uur gaans van het stadje. Als de wind niet al te straf was namen wij de weg over den dijk, anders volgden wij het binnenpaadje dat langs hofsteden en door akkers kronkelde, maar dat lelijk modderig kon zijn.
De bewuste boerderij was door een vroegere burgemeester van Ravenstein gebouwd om als zomerverblijf te dienen, het statige royale voorhuis gaf er het uiterlijk van een buiten aan. De burgemeester was blijkbaar een groot liefhebber van fruit geweest en tevens een goed kenner van de fijnste soorten. In dit huis had Dominee R. met zijn vrouw en zeven kinderen onderdak gevonden en 't zij hier ruiterlijk bekend, wij benijdden hen om dit kwartier. Het ruime huis, het uitzicht over de landerijen en de rivier, de bijbehorende boomgaard en moestuin, de koeien en kippen, voorzeker zij zouden aan niets gebrek hebben. Hoe ver was de werkelijkheid van onze veronderstelling verwijderd, hoe kortzichtig waren wij om niet op te merken dat de kinderen zowel als de ouders er mager en bleek uitzagen. Dat wij nooit de betekenis begrepen hadden van de begerige
- 68 -
blikken naar de appels die wij in onze rugzak pakten. Wij twijfelden niet of bij zo'n uitgestrekte boomgaard waar vanzelfsprekend veel afviel zouden de kinderen naar hartelust appels mogen eten.
Pas toen de predikantsvrouw onder vier ogen haar overvloeiende hart eens luchtte hoorden wij dat zelfs het minderwaardige afgevallen fruit verboden waar was. Dat ging naar de varkens en de vluchtelingen kregen ze enkel ten eten in de vorm van het landelijke gerecht hete bliksem. Voor wie het niet kent: aardappels en appels dooreengestampt en met rijkelijk spek vermengd. Hier echter, zoals ook bij de hete bliksem van de gaarkeuken, was het spekvet ver te zoeken. Twee maal per dag, eenige weken lang, kreeg het ongelukkige predikantsgezin, met uitzondering van het ontbijt, niets anders voorgezet. De brave Dominee verklaarde dat hij haast ging vloeken als hij de naam van het gehate gerecht hoorde noemen en zijn vrouw stelde bezorgd vast hoe haar gehele gezin er maag en darmstoornissen van had gekregen. Een bezoeking waren de appels in dat huis, voor de appels week alles, het ganse ruime voorhuis diende als bewaarplaats voor appels en zij moesten zich behelpen met twee bedompte kleine kamertjes, vader, moeder en zeven kinderen, waar nauwelijks iets van een bed in stond. Voor dagverblijf diende een grote blauwgeplavuisde boerenkeuken, een kale, holle ruimte.
De arme predikantsvrouw, blij een belangstellend oor te vinden, vertelde in n adem door: over de vlucht uit hun dorpje in de Betuwe, dat vanaf de Veluwse heuvelen door de Duitsers aan puin geschoten werd. Een paar keren waren de Duitsers de Rijn overgestoken, de Dominee was nog

 

Terug naar bladzijde 229

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 231