Het Oorlogsdagboek van Mej. P Dozy over de periode 18 - 29 oktober 1944 Vervolg

Terug naar bladzijde 230

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 232

44O - Vervolg dagverhaal

blz 231

bijna door hen gefusilleerd daar hij, en niet ten onrechte, verdacht werd handlangerdiensten aan de Geallieerden te hebben bewezen.
Met een grote koffer vol kleren waren zij op een wagen gevlucht naar een collega die aan de Waal in een dorpje stond. Deze ontving hen liefderijk, doch dit toevluchtsoord bood slechts
- 69 -
voor kort een zeer betrekkelijke veiligheid. Weer verder, de Maas over. Zo waren zij tenslotte hier beland, zonder koffer, zonder enige andere bezitting dan wat zij aan 't lijf droegen. Zodat ook in dit gezin de kinderen in bed gestopt moesten worden als de moeder hun ondergoed waste. Dit horende dachten wij aan het Raven-goed, zou dat hier misschien ook van pas komen?
Wij maakten een pakje van het belachelijke ondergoed met nog enige andere bijeen gebedelde stukken en sloten er een verklarend briefje in met de bedoeling om dit de eerstvolgende keer op de boerderij achter te laten. Natuurlijk mislukte deze opzet grandioos. Wij liepen Mevrouw zelf tegen 't lijf en konden niets anders doen dan haar 't pakje persoonlijk overhandigen, met mondelinge gewild luchtige verontschuldigingen voor de zonderlinge inhoud. Verrast en nieuwsgierig had zij 't al open gemaakt nog voordat wij kans zagen te verdwijnen. Zij zeide niets, zij lachte niet om het zotte goed; toch vertrok haar gezicht en opeens stroomden de tranen over de wangen van de vrouw die zich tot nog toe zo flink gehouden had. Hakkelend kwam het er uit: "Dat goed, 't is een redding, een Godsgeschenk! O, en dat er nog mensen bestaan, totaal onbekenden zelfs, die ons helpen willen in de nood en ik begon daaraan te vertwijfelen. Alles lijkt soms zo zwart en hopeloos, maar dit geeft weer moed, 't is toch altijd nog waar dat er hulp verschijnt als de nood het hoogste is."

[Maandag] 23 October.

In de afgelopen nacht werden wij om twee uur gewekt door een hevig bombardement op den Bosch. Om half zeven in de morgen ging het over in de welbekende roffel van trommelvuur. Ons ganse hart is bij de arme mensen die thans hunne bevrijding ondergaan. Het beeld van de stad rijst voor het geestesoog op: in het vlakke land de huizenmassa waarboven de machtige Sint Jan als een schip schijnt te drijven. En de pijnigende fantasie tekent af wat het verstand als waarschijnlijkheid veronderstelt: het prachtige bouwwerk, de schoonste
- 70 -
kerk uit de Middeleeuwen die in de Nederlanden te vinden is, verbrokkelend en verpulverend onder het geweld van meedogenloze granaten. Later op den morgen vermindert de hevigheid van het vuren om in den namiddag opnieuw toe te nemen.
Daar het vandaag gunstig weer is en bij uitzondering de zon schijnt, besluiten Moeder en ik in den namiddag naar Leur te gaan en voorzien ons hiertoe 's morgens bij de O.D. van een vergunning voor 't oversteken van de Maas.
De wegen in 't Gelderse zijn zo mogelijk nog modderiger en nog meer kapot gereden dan die in de omgeving van Ravenstein. Bij een bocht ligt een zware legerwagen in de sloot gekanteld, een slachtoffer van de vette glibberige klei. De weg is op die plek geheel afgekalfd, een gleuf van een meter diepte gaapt in de stijve grond. Zelf moesten wij ook oppassen om niet in een sloot te glijden; voorzichtig zetten wij onze voeten neer, de ogen angstvallig naar beneden gericht, om af en toe stil te staan en rondom te schouwen. Ons mooie Gelderland! Na het eentonige, kale landschap van de Beerse Maas is het een verkwikking weer in een streek te vertoeven met oude bomen, statige bossen en kastelen. De zon doet de tinten vrolijk oplichten, alle schallende herfstkleuren in het loof van eiken, peppels, berken en tamme kastanjes. Zo het lot ons gunstig geweest ware zo zouden ook wij in het Gelderse land van Maas en Waal gebleven zijn. En wij benijden de fortuinlijke vluchtelingen die terecht zijn gekomen in dit liefelijke oord. En dan zien wij op de onbegaanbare weg een paar wandelaarsters naderen die ons voorkomen als verschijningen uit een andere wereld, een wereld waarin men bridget en danst en zich vermaakt. De kleding zo modieus als wij het in de oorlogsjaren nauwelijks meer kenden, fijne hooggehakte schoentjes - bij die modder - en een feilloze make-up. Dit Engelse woord kennen zij natuurlijk als mensen van beschaving, het

 

Terug naar bladzijde 230

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 232