Het Oorlogsdagboek van Mej. P Dozy over de periode 29 oktober - 13 november Vervolg

Terug naar bladzijde 239

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 241

44P - Vervolg dagverhaal

blz 240

Tom!" als ze hun bizondere vrienden herkennen. Zakdoeken wapperen en worden dan weer tegen de ogen gedrukt, menige traan vloeit. Jongens draven een eind mee met de stoet en rapporteren later dat ze in de richting van Grave trokken en van daar naar Eindhoven. En verder? Dat is het grote vraagteken. Zelf hebben zij gezegd dat zij over drie weken een paar dagen verlof krijgen en dan hier zullen komen.
Vader van Tilborg twijfelt er aan en denkt dat zij dit enkel beweerd hebben om 't afscheid te verzachten: "'t zijn soldaten en niet voor niets zegt 't liedje: in ieder stadje een ander schatje." Zijn vrouw is 't niet met hem eens: "Ik weet zeker dat die jongens van ons nog wel eens terug zullen komen, tenminste als zij kunnen en onze Lieve Heer hen in 't leven spaart."
't Is een sombere Novemberdag, 't regent en er waait een koude wind.
- 84 -
Hoe leeg en saai is het stille stadje na hun vertrek. De korte brede Marktstraat, 't hart van het oude stadje, ziet er troosteloos en verlaten uit met al die blinde vensters. Planken vervangen de gebroken ruiten van de deftige herenhuizen zo goed als van de ouderwetse winkels. Wat deert het ook, er valt toch niets uit te stallen. Voor de streng gerantsoeneerde levensmiddelen behoeft men de mensen niet te lokken, zij zijn er wel als de kippen bij om hun aandeeltje te halen.
De Engelsen weten het ook al in hun gebroken taaltje te zeggen: "Niks in de winkel, niks in de stoof!"
Toch heeft iemand in een zijstraatje een zaakje gevonden waar nog enig schrijfgerei te verkrijgen is en mij van die ontdekking in kennis gesteld. Terwijl ik mijn inkoop deed, geraakte ik in gesprek met een andere klant, eveneens vluchteling. Hij was afkomstig uit Arnhem en vertelde van een vlucht tijdens hevige gevechten, meet een doodzieke oude moeder die zij uit de bovenverdieping van een brandend huis hadden moeten halen. De oude vrouw was enkele dagen later gestorven, gelukkig maar, zeide hij, dan maakte zij geen ellende meer mee. Niets hadden zij kunnen redden, niets bezaten zij buiten de kleren aan 't lijf.
Na veel omzwervingen waren zij hier ergens in de omgeving terecht gekomen en woonden nu sinds vijf weken in het kippenhok van een boerderij, hij, zijn vrouw en elf kinderen. "Voorlopig zijn wij gered, allemaal. Daar ben ik dankbaar voor, maar als ik aan de toekomst denk, wat er later van ons moet worden, dan zou ik bijna gaan wanhopen. Ik had een mooie zaak en ruim mijn brood en behoefde niemand iets te vragen. Nu hang je van de goedgunstigheid van de mensen af en dan doen ze soms nog alsof je voor de lol vluchteling bent."
Groesbekers die ik kort daarop sprak, lieten zich op dezelfde wijze uit: "De mensen van hier hebben geen begrip hoe ellendig het is van huis en haard verdreven te zijn, zij kunnen zich niet voorstellen wat je allemaal moet missen."
- 85 -
De volgende dag bezochten wij zo'n tot woning ingericht kippenhok. Het waren niet de onfortuinlijke Arnhemmers maar Groesbekers die er in huisden, eveneens een gezin van dertien hoofden. De vrouw was blijkbaar een goede huismoeder, alles zag er zo ordelijk en schoon uit als 't in deze omstandigheden slechts mogelijk was. Het eerste gedeelte diende tot woonkamer en keuken en was ingericht met een wankel tafeltje, wat afgedankte stoelen en een tuinbank; het kleine kacheltje dat in 't kippenhok thuis hoorde gaf een behagelijke warmte. De vrouw was bezig om te trachten zonder zeep de kinderwas schoon te krijgen. De kinderen had zij zolang in bed gestopt, zij bezaten immers geen ander stel kleren dan die waarin zij gevlucht waren. In het achterste gedeelte van het hok was de slaapgelegenheid ingericht, daar lag stro op de grond gespreid. Van onder de hoog opgetrokken dekens keken nieuwsgierige kinderkopjes met glinsterende ogen naar het bezoek, vooral de hond trok hun aandacht. De hond Schot die allerlei kunstjes vertoonde en tot hun verrukking zelfs op zijn achterpoten ging dansen. Van geestdrift vergaten zij hun gebrek aan kleding en kropen spiernaakt onder hun dek uit, maar de moeder joeg ze er gauw weer onder. Terwijl Schot de kinderen vermaakte, pijnigde ik mijn hersens met het vraagstuk hoe de vrouw in deze omstandigheden ooit tot het wassen van haar eigen kleren zou kunnen komen.
Gelukkig waren er barmhartige zielen te vinden die de moeilijkheid oplosten door kledingstukken af te staan en ook konden wij nog over enig ondergoed met zwarte raven

 

Terug naar bladzijde 239

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 241