Het Oorlogsdagboek van Mej. P Dozy over de periode 29 oktober - 13 november Slot

Terug naar bladzijde 245

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 247

44P - Vervolg dagverhaal

blz 246

van eertijds te hervatten alsof er geen onderbreking ware geweest? Drong het thans pas tot ons door hoe hopeloos de bevrijding van ons vaderland vastgelopen was? En hoe de verlossing van het verdere deel van Nederland, nu het niet meer bij verrassing zou kunnen geschieden, veel tijd en inspanning zou eisen?
Dat het in de eerste plaats geboden zou zijn de gevaarlijke smalle verbindingsstrook met het front te verbreden. Dat de wegen in goede staat voor het zware verkeer gebracht zouden moeten worden en bruggen geslagen
- 96 -
over de rivieren. Dat er reusachtige hoeveelheden munitie benodigd zijn om tot een aanval die een redelijke kans op slagen biedt te kunnen overgaan.
Had eigen gezond verstand ons dit alles niet reeds duidelijk gemaakt, dan zou het krijgskundig inzicht van Vader het ons wel geleerd hebben.
Maar ach, hoeveel weken, hoeveel maanden zullen er met al deze voorbereidingen heen gaan. Een wanhopige twijfel bekruipt ons of er wel ooit een einde aan de oorlog kan komen.
Begint het schrale voedsel ons zodanig te verslappen dat met de minderende lichaamskracht ook de geestkracht wegteert en onze gehele weerstand gesloopt wordt?
De honger houdt ons menige nacht uit de slaap. Dan komen herinneringen aan allerlei gerechten op, vanaf de eenvoudige, voedzame rogge- en maispap waar wij de laatste jaren de dag mee inzetten tot allerlei uitgezochte spijzen toe. En de geest blijkt onmachtig deze kwellende gedachten te bedwingen. Feitelijk is er slechts één dag in de week waarop wij voldoende voedsel krijgen: de Zondag. Het door de gaarkeuken verstrekte voer wordt steeds slechter en is menigmaal volkomen oneetbaar, zelfs voor uitgehongerde magen.
De vrouwen uit de gezinnen die het kwartje per portie niet kunnen betalen, moeten meehelpen in de keuken. Zij vertrouwen ons toe dat het schoonmaken niet al te veel tijd vraagt, want de aardappels behoeven geschild noch gepit, de groenten niet uitgezocht. Rotte blaren, slakken, wormen, alles verdwijnt in de kookpotten. Met de slakken enz. hoewel verre van smakelijk, is 't nog mogelijk zich te verzoenen als men zich slechts voor ogen houdt dat die beesten tenminste iets van het onmisbare dierlijke eiwit in ons voedsel brengen. Want schoon wij de vleesbonnen moesten afstaan, vlees ontbrak ten eenenmale. Soms meenden wij wel een korreltje te vinden om alras tot de teleurstellende ontdekking te komen dat 't een
- 97 -
zwart stukje aardappel of een klompje klei was.
Vergeleken bij het in die laatste oorlogswinter door de bewoners van de grote steden in Holland geleden gebrek, vergeleken bij de mateloze ellende in de gevangenkampen waren onze ontberingen onbetekenend, hoe zwaar zij ons toen ook drukten. Aan een zo getrouw mogelijk beeld van onze wederwaardigheden in dat kleine Brabantse stadje mogen zij echter niet ontbreken.
De lijdzame Geldersen werden ten leste opstandig. Voor de Boterfabriek, waar de uitdelingen thans plaats vinden, had men op een zekere dag weer eindeloos moeten wachten in regen en wind, weer was er niet voldoende voer om elkeen de voorgeschreven driekwart liter uit te reiken, weer zou ieder slechts een halve liter ontvangen. Met schelle stem gaf Zuster Marie uiting aan de algemene ergernis.
Het antwoord hierop deed de bom barsten, de verontwaardiging brak los door de hardvochtige woorden: "Nou ja, gullie bent toch maar vluchtelingen."
Vloeken en dreigementen, stenen vlogen door de lucht. De paar man van de boterfabriek, bevreesd voor die beruchte Groesbekers, grepen de brandslang en spoten de armzalige troep vluchtelingen nat. Hiervoor weken de Groesbekers, maar niet dan nadat Zuster Marie als hun woordvoerster nog eens onverbloemd aller hartgrondige verachting voor de Ravensteiners had verkondigd.
Toch was deze handeling met de brandslang ook de Ravensteiners te bar. Het personeel van de boterfabriek heeft klaarblijkelijk een flinke terechtwijzing gekregen, voortaan was de toon van de opscheppers van het eten veel behoorlijker, het opgeschepte bleef van even slechte hoedanigheid.

 

Terug naar bladzijde 245

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 247