Het Oorlogsdagboek van Mej. P Dozy over de periode 13 november - 1 december 1944

Terug naar bladzijde 246

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 248

44Q - Vervolg dagverhaal

blz 247

Na opheffing van Ravensteins eigen gaarkeuken zorgde een fabriek in Oss voor de bereiding van de maaltijden. Stapvoets per paardenwagen werden de grote kookpotten aangevoerd. Wij vroegen ons af hoe het mogelijk was de inhoud zo goed op temperatuur te houden op dit lange traject. Warm was
- 98 -
het altijd, meer goeds viel er niet van te getuigen.
Het Ravensteinse gaarkeukencomité had zijn werkzaamheden besloten met een keurig etentje bestaande uit drie gangen: een krachtige soep, vlees met verschillende groenten en puddingen na. Een der leden van het comité somde volkomen argeloos voor onze oren al deze heerlijkheden op. Onbewust dat 't ons eenzelfde gevoel gaf als in de goede oude tijd de inwoners van de gestichten van liefdadigheid ongetwijfeld zullen gehad hebben wanneer de Regenten en Regentessen hunne uitvoerige feestmalen hielden en de verrukkelijke geuren uit de keuken naar het verblijf van hun beschermelingen overwoeien. De beschermelingen die zich met de een of andere stamppot moesten vergenoegen. Hoewel deze stamppot een menswaardiger maal zal uitgemaakt hebben dan onze emmer met grauw voer.
De stelling wordt wel eens verkondigd als zou alles hier op aarde vroeg of laat afgerekend worden. Werd thans aan ons, de nazaten, de rekening gepresenteerd van de overvloedige gelagen waaraan onze voorouders zich eenmaal te buiten zijn gegaan?
Vele vluchtelingen gingen er toe over om hun eigen potje te koken, doch hoe zouden wij dat hebben moeten klaarspelen, kachel zowel als schoorsteen ontbrak ons. Een pijp door het raam zou nog uitkomst hebben kunnen geven zo er slechts een kachel te koop ware geweest. Doch dit nuttige voorwerp was zo min te verkrijgen als zovele andere onmisbare zaken. Zelfs onze doorgelopen schoenen konden wij voor geld noch goede woorden gelapt krijgen. Misschien wel voor spek, maar dat bezat een vluchteling niet. Vergeefs deed ik moeite om althans een paar klompen te bemachtigen. Wij buitenmensen konden ons wel op klompen redden, wij waren immers gewoon ze bij modderig weer in de tuin te gebruiken.
Na lang zoeken had ik ergens in een naburig dorpje een klompenmaker ontdekt die mij tegen een bepaalde dag een paar in 't vooruitzicht stelde. Toen Paul en ik er heen togen om ze op te halen, bleek de man zich niet
- 99 -
aan zijn belofte te hebben gehouden. "Want ziet U, wij mogen ze eigenlijk niet aan particulieren afleveren, ze zijn voor de distributie bestemd, enkel voor die arme vluchtelingen maken wij wel eens een uitzondering."
De man keek vreemd op bij mijn verzekering ook een vluchteling te zijn, even bleef hij met de mond vol tanden staan om er zich toch nog, kronkelend als een glibberige aal, tussen uit te werken.
Zonder het begeerde schoeisel keerden wij langs de modderige landwegen huiswaarts; terneergeslagen, zwijgend. Totdat het trouwe kameraadje Paultje ineens in snikken uitbarstte. Op mijn verschrikte vraag wat hem scheelde kwam hortend en afgebroken het van hartelijk medegevoel getuigende antwoord: "Ik vind 't zo vreselijk naar voor je dat er niemand is die klompjes voor je wil
maken." Ondertussen kloste de kleine kerel zelf tenminste met een paar droge voetjes door de vette klei, dank zij de door Ineke van haar expeditie naar Vogelsangh meegebrachte holsblokjes.
Met het vorderen van het najaar begon een ander vraagstuk nijpender te worden, namenlijk het gebrek aan verwarming. 's Avonds als de kinderen naar bed waren en het werk aan de kant, werden Vader en Moeder uitgenodigd om bij hun gastvrouw en gastheer in het warme keukentje te komen zitten. Overdag leden zij kou, vooral invalide Vader die niet zo als wij door een flinke wandeling het verkilde lichaam weer op temperatuur kon brengen.
De hoop op een spoedige thuiskeer was vervlogen, de mogelijkheid om naar Breda te gaan onzeker. Er moesten maatregelen getroffen worden om zo goed mogelijk de winter door te komen. Moeder ging op zoek naar een ander onderdak met gelegenheid om te stoken; ook Ineke en ik staken onze voelhorens uit. Zonder enig resultaat.

 

Terug naar bladzijde 246

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 248