Het Oorlogsdagboek van Mej. P Dozy over de periode 13 nov. - 1 december 1944 Vervolg

Terug naar bladzijde 249

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 251

44Q - Vervolg dagverhaal

blz 250

Aan het middagmaal deelde de boerin zelf op ieder bord een stukje spek of vlees uit. Het eten was niettegenstaande het grote aantal gasten goed en overvloedig geweest.
Ongemerkt nemen wij de nieuw aangekomenen eens op. Zij zien
- 104 -
er uit als wéldoorvoede, wélverzorgde lieden en allerminst als verkommerde vluchtelingen. Op onze vraag of 't hen niet spijt een zo goed kwartier te hebben moeten verlaten, bekennen zij dat 't er toch verre van veilig was; de Duitsers liggen immers nog steeds ten Oosten van de spoorbaan Arnhem-Nijmegen en bombarderen van daar uit enige malen per dag de gehele streek te Westen zo ver zij die bereiken kunnen met hun geschut. Er loopt een gerucht dat de Duitsers bij hun aftocht de dijk van Gendt zullen doen springen waardoor de Betuwe geheel onder zal lopen. Om die reden is iedereen uit Elst vertrokken; enkele onversaagde mannen uitgezonderd die achter blijven voor de verzorging van het vee.
Dokter Paul en Trees hebben hun boerderij daar ergens ver weg aan de rand van de Beerse Maas verlaten en wonen nu in een grote villa even buiten het stadje; een huis dat om onnaspeurlijke redenen door de Ravensteiners nooit met zijn naam doch altijd met de kadastrale aanduiding C3 benoemd wordt. De Dokter is hier gemakkelijker te bereiken voor zijn talrijke Groesbeekse patienten; naast de Ravensteinse dokter neemt hij de vluchtelingen-praktijk waar. C3 is door zijn eigenares verlaten na de noodlottige avond waarop haar zoon in de gang doodgeschoten werd door de Duitsers. In de grote villa hebben behalve het doktersgezin ook een Betuwse jamfabrikant met familie en een uit den Haag geëvacueerd echtpaar onderdak gevonden.
Op een morgen laat Trees vragen of ik niet even aan wil komen, er is goed nieuws: de Haagse dame heeft een warme wintermantel ter beschikking die mij misschien wel passen zou. Ik koester een sterk vermoeden dat het hele voorstel aan Trees' brein ontsproten is.
Wij maken kennis, de Hagenaren en ik, waarbij mijn bekendheid met hun stad al dadelijk een punt van aanraking vormt, en monsteren elkanders figuur, Mevrouw is klein en tenger. Niettegenstaande haar plaatsje vlak naast de kachel heeft zij een wollen sjaal om, een plaid over de voeten en mitaines aan de handen.
- 105 -
"Iedere dag in alle weer en wind zien wij U zo dapper voorbij trekken met Uw neefje en de honden. Ik benijd U, zelf hield ik ook zoveel van la vie au plein air. Alle sport: wandelen, tennissen, paardrijden, zwemmen! Nu, met mijn hevige rheumatiek kom ik haast nooit meer buiten en ik heb nog wel drie wintermantels mee kunnen nemen toen wij den Haag moesten verlaten."
"Vergun mij, U te assisteren" klinkt een geaffecteerde stem achter mijn rug en daar staat de Hagenaar met het bewuste kledingstuk uitnodigend te wachten en helpt er mij met een buiging in.
"Neen maar, ça va comme un gant! Kijkt U eens in de spiegel!" verrukt roepen ze het uit.
Welk een gedaanteverwisseling. Het spiegelbeeld toont niet meer een schamele vluchteling in een tot op de draad versleten jasje maar een dame gekleed in net zo'n mantel van warme wol met koesterende persianer kraag als op Vogelsangh voor de plunderaars achter bleef.
Overgelukkig neem ik afscheid, of eigenlijk een afscheid is 't niet maar een: "Tot de volgende keer, want U wilt nog wel eens terugkomen niet waar? dan halen wij weer gezellig herinneringen op aan die heerlijke Haagse tijd."
"Ende despereert nimmer", hoe goed was de raad die Coen gaf, hoe hebben wij dat ooit kunnen vergeten.
Een paar dagen later doelloos door het stadje slenterende, zie ik aan 't andere einde van de straat een boer heftig met zijn arm zwaaien terwijl hij koers in mijn richting zet. Hij heeft iets bekends, dat vossegezicht heb ik meer gezien, ja 't is de vader van de 12 kinderen in het kippenhok. Van verre roept hij al "Wat zien ik bliede oe te zien, ik zocht oe al en wist niet waar ik oe vinden kon. Weet-de 't al dat er klompen uitgedeeld worden? Daar in die oude kapel! Gaat er maar gauw henen, ze vliegen weg!"
Ik laat 't mij geen tweemaal zeggen en draaf er heen.
Om onnaspeurlijke redenen worden uitdelingen nooit aangekondigd, is men bang dat er te veel liefhebbers zullen opdagen? Toch staat er reeds een

 

Terug naar bladzijde 249

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 251