Het Oorlogsdagboek van Mej. P Dozy over de periode 13 nov. - 1 december 1944 Vervolg

Terug naar bladzijde 252

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 254

44Q - Vervolg dagverhaal

blz 253

Het tweede opzienbarende voorval vormde de aankomst van een brief. Een brief voor Vader van zijn vriend uit Breda. Tegen alle waarschijnlijkheid in hoopten wij dat dit schrijven een antwoord zou bevatten op het pas verzonden verzoek om naar Breda te mogen komen. Wat toch waarlijk niet mogelijk was bij de traagheid waarmee alle verkeer plaats vond. De brief behelsde weinig nieuws dat wij niet reeds wisten.
Het epistel was over Nijmegen naar Ravenstein gezonden en bij gebrek aan bekend adres aan het gemeentehuis afgegeven. Hent, de stadsbode en tevens stadsomroeper, kwam hem brengen. Want dit stadje, een enclave in de moderne tijd waarin de eeuwen schijnen te zijn blijven stilstaan, bezit nog een stadsomroeper en zijn baantje is geen sinecure. Menigmaal komt hij elke dag aanfietsen - die fiets is het enige wat aan de twintigste eeuw herinnert - om na afgestapt te zijn langdurig met een grote bel te luiden, waarop hoofden in alle ramen verschijnen en mensen in alle deuren. Hij galmt iets beginnende met "verloren" of "noodslachting", de rest is meestal onverstaanbaar en Hent is alweer verder gereden voordat men hem tekst en uitleg kan vragen.

Zondag 26 November.

Na de kerk gaan Paultje en ik bij de Maas kijken. De Engelsen zijn voornemens een brug te slaan en nu druk in de weer met het uitladen van balken, tonnen en planken. Paultje is aanstonds verdiept in de werking van de vier kranen, hij vergeet alles om zich heen en voelt
- 110 -
koude noch gure wind en deze blaast toch fel op de hoge dijk. Door de aanhoudende regens is de rivier gezwollen en de stroom sterk. Alle bouwstoffen voor de brug worden op de uiterwaarden gebracht. Volgens de Ravensteiners liggen zij daar helemaal verkeerd: als de Maas stijgt - wat zij zeker zal doen - loopt alles onder en wordt meegesleurd. Welgemeende waarschuwingen aan onze Bevrijders worden door hen met een superieure glimlach in de wind geslagen. "Die Engelsen hebben de wijsheid in pacht, ze weten alles beter, maar begrip van onze rivieren hebben ze niet in 't minst. Zij zullen 't wel ondervinden tot hun eigen scha" is de algemene verzuchting.
De heer van Z. die als O.D.er met zijn wagen Brabant geregeld doorkruist, heeft aan Moeder en Ineke aangeboden om hen naar Eindhoven mee te nemen. Ineke, wier verblijf in die stad kort voor de invasie ontijdig was afgebroken, is in de wolken met deze gelegenheid om haar kleren op te halen. Vooral nu haar mooie jurkjes zo goed te pas zullen komen bij de vele dancings die de Engelse officieren op touw zetten.
Hoe prettig Moeder en Ineke 't ook vinden om even uit de ban van Ravenstein te breken, toch wordt het een trieste reis door het Brabantse land waar de oorlog overal sporen van verwoestingen heeft achter gelaten.
Ineke is het enige meisje in Ravenstein dat Engels geleerd heeft. Menigmaal wordt een beroep op haar gedaan om voor tolk te spelen; ook onder het mannelijk deel der bevolking zijn slechts weinigen die taal machtig. Daar behoort in alle geval de loco-burgemeester niet bij; hij beheerst enkel het Nederlands, in een Brabantse uitgave. Wat wel eens moeilijkheden oplevert nu hij telkens met Engels sprekende machthebbers te doen heeft. Laatst bij een feestelijke gelegenheid toen hij een toespraak tot de commandant van Ravenstein moest houden werd, als enige aanwezige die hiertoe in staat was, Ineke aangezocht de gehele redevoering voor de vuist weg te vertalen.
De zoon van het tijdelijk hoofd der gemeente, een jongmens dat zich
- 111 -
bovenmate voelt, heeft in mijn herinnering een indruk achter gelaten door een onnozel, doch voor de mentaliteit van het jongmens tekenend voorval.
Uit zelfbehoud, om niet te versuffen of in zwaarmoedig getob onder te gaan, dient een vluchteling bezigheid te zoeken. Om die reden had ik aangeboden de tuin van Mevrouw B. op te knappen. Met klompen aan bij 't werk in de natte grond was ik druk bezig in de border en genoot er van weer eens te kunnen tuinieren. Daar trad 's burgemeesters zoon, vergezeld van Bob de onderduiker, het tuinhekje binnen. Hij oordeelde blijkbaar, volgens zijn opvatting natuurlijk terecht, dat een vrouw op klompen nooit een dame kan zijn en bijgevolg geen aanspraak op wellevendheid

 

Terug naar bladzijde 252

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 254