Het Oorlogsdagboek van Mej. P Dozy over de periode 13 nov. - 1 december 1944 Vervolg

Terug naar bladzijde 253

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 255

44Q - Vervolg dagverhaal

blz 254

mocht maken ook al kent men haar; dus negeerde hij mij. Bob die geregeld bij Mevrouw B. kwam, voelde zich in een lastig parket gebracht: groeten of niet-groeten, dat is de vraag, om een klassieke aanhaling vrij te gebruiken. Hij zal wel een zucht vaan verlichting hebben geslaakt toen ik de moeilijkheid oploste door het tweetal de rug toe te keren.
Even later ging het tuinhekje weer open, het was vriend Theo die voor Mevrouw B. wat brandhout verhakken zou. Theo zag mij worstelen met de schop in een vergeefse poging om de stijve aarde tussen de planten los te spitten. "Beroerde klei is 't hier" klonk zijn opmerking. Er ontspon zich een gedachtenwisseling over de hoedanigheid van deze klei, die ongetwijfeld buitengewoon vruchtbaar is doch van een zodanig zware samenstelling dat een zekere landbouwdeskundige ze niet beter wist te beschrijven als: een mengsel van beton en pek. Theo's oordeel luidde: "Geef mij maar liever de goede losse tuinaarde bij ons om te spitten en" voegde hij er vol trots aan toe "onze mooie tuin om in te werken, daar heb je ook heel wat meer voldoening van dan van dit kleine lapje."
"Ach Theo, laten wij ons daar niet op beroemen. Wie weet of er op dit ogenblik nog wel iets over is van ons mooie Vogelsangh."
Theo keerde zich met een zucht om en ging verwoed hout hakken, net zo verwoed als ik spitte, om de naargeestige gedachten te verdrijven.
- 112 -
Rob de onderduiker bekende later dat hij voor geen geld ter wereld op klompen door Ravenstein zou willen lopen. De bewering: "Daar wordt geen mens minder van, zo min als iemand er beter van wordt door op een paar super-de-luxe schoenen rond te lopen" ging boven zijn bevatting.
Nu geviel 't dat het die avond pijpestelen regende; de wegen dreven. 't Werd tijd voor Bob om zijn kwartier op te zoeken. Met een bezorgde blik inspecteerde hij schoenen die in niet al te beste staat waren. Mevrouw B. stelde hem voor of hij de klompen van het dienstmeisje niet zou aantrekken. Zo als zij er met een fijn glimlachje bij voegde: "Het was toch zo donker, hij zou vast niemand tegen komen die 't kon opmerken." En daar verdween Bob in de duisternis, de schoenen onder zijn jas verborgen. 't Viel ons op zo wonderlijk gewend als hij liep op het verachte schoeisel.
De electrische voorziening is niet volmaakt, of liever gezegd: zij bezorgt ons telkens verrassingen. Bij hoge uitzondering is er wel eens een hele avond stroom; gewoonlijk springt het licht op de meest onverwachte ogenblikken aan of uit. Wij zorgen dan ook altijd lucifers bij de hand te hebben en de petroleumlamp heeft zijn ereplaats op het midden van de tafel behouden.
De fabrieken van Oss leveren sinds enige tijd stroom aan Ravenstein, echter in zeer beperkte mate en van deze stroom moet nog een groot gedeelte gebruikt worden om het broodgraan te malen. Elk huisgezin wordt onherroepelijk afgesneden als een zeker maximum overschreden is. Die ramp overkwam het huis waar Vader en Moeder woonden. Niemand begreep hoe het mogelijk was, ieder had zich toch steeds beijverd zuinig met het licht om te gaan. Na een paar weken bleek dat de meteropnemer een cijfer verkeerd had gelezen! 't Was ons een pak van het hart. Ondertussen, voordat die verlossende ontdekking gedaan werd moesten wij ons weer als in de eerste tijd behelpen met een onnozel klein petroleum-
- 113 -
lampje. 't Ongeluk wilde dat thans het reeds lang gebarsten glas bezweek. Ieder met deze soort verlichting bekend weet dat een lampeglas even onmisbaar is voor de goede werking van de lamp als de petroleum zelf.
In Ravenstein gold weer: "niks in de winkel"; in 't hele stadje was geen glas te krijgen. Dan zouden Paul en ik op onze dagelijkse wandelingen de dorpen in de omtrek maar eens nagaan. En werkelijk, in Herpen bij de smid konden wij zelfs twee glazen kopen. De hartelijke mensen noodden ons binnen: "Ge wilt zeker wel even rusten na die lange wandeling."
Hoe duidelijk zie ik die Brabantse keuken nog voor mij, ze was als een levend geworden schilderij van de Braekeleer. De machtige, een gehele wand beslaande schouw waar op de riggel een prachtig gesneden Mariabeeldje troonde tussen Chinees porceleinen borden, famille rose was 't. Oost en West naast elkander, in de volkomen harmonie van zuivere kunst. Koperen potten en

 

Terug naar bladzijde 253

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 255