Het Oorlogsdagboek van Mej. P Dozy over de periode 4 - 11 December 1944

Terug naar bladzijde 256

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 258

44R - Vervolg dagverhaal

blz 257

Maandag 4 December.

De Duitsers hebben op enige plaatsen de dijken van de Betuwe opgeblazen met het doel de Geallieerden in het Westelijk deel als ratten te laten verdrinken, de golven overstromen thans het vruchtbare land. Een Betuwenaaar is gaan kijken hoe zijn steenfabriek er bij ligt en meldt dat het water op sommige plekken tot drie meter hoog staat.
Met deze opzettelijke overstroming zouden de Duitsers de waarheid ondervinden van het oude gezegde: "wie een kuil graaft voor een ander, valt er zelf in." De Duitsers telden onder hun gelederen blijkbaar geen waterbouwdeskundigen en zelfs geen mensen met gewoon gezond verstand die begrepen zouden hebben door welke oorzaak Rijn, Waal en Maas allen naar het Westen toe stromen.
Aanvankelijk golfde het water door de gaten over de Over-betuwe en zette de Engelse stellingen onder; doch het stroomde verder, zijn natuurlijke weg volgend naar de lager gelegen Neder-Betuwe en steeg daar, gevangen tussen de dijken, steeds hoger. Tot groot ongerief van de Edelgermanen die thans de meeste last kregen van het element dat zij aan zich dienstbaar hadden willen maken en niet wisten te beheersen.
De mannen van de rivieren gnuifden bij deze kapitale vergissing.
- 118 -
Sint Nicolaas zal in Ravenstein komen en alle vluchtelingen-kinderen bezoeken.
De gehele middag ligt Paultje op zijn knietjes in de vensterbank uit te kijken; schoon wij hem gewaarschuwd hebben niet al te vast op de komst van de Sint te rekenen, de goede man moest zo heel veel kindertjes bezoeken. Toch blijft de kleine jongen op zijn post; ook nog als de schemering begint te vallen, een grauwe schemering tussen grauwe huizen. Het regende; regende het niet altijd in dat uitzonderlijke natte najaar, regende het niet dag aan dag en nacht aan nacht? Nat glansden de straatstenen zolang er nog enig daglicht was, totdat alles verzonk in de duisternis die slechts af en toe onderbroken werd door de gedempte lantarenschijn van een voorbij rijdende legerwagen. Bij de bocht van de straat bereikte de lichtbundel even onze kamer om in een flits de gezichten, de gestalten te beschijnen, de kleine wachter op de vensterbank in schaduwbeeld af te tekenen. Daarna, als de lichtbundel wegzwaaide, geleek het des te donkerder.
Eindelijk, eindelijk paardengetrappel op de stenen, joelende kinderen, een verrukte uitroep: "Daar komt hij!" Even later stelde een trillend stemmetje vast: "Sint gaat ons hek voorbij." Een diepe teleurstelling klonk in die paar woorden en toch hield de kleine spreker zijn tranen moedig in bedwang. Wij trachtten hem te troosten met te zeggen dat de Sint hem zeker niet vergeten had, maar 't was al zo laat en donker, hij moest nu vast naar huis. Ondertussen pijnigden wij onze hersen af hoe wij hem een Sinterklaasverrassing zouden verschaffen. Hier in dit stadje waar niets te kop was; althans niet voor vluchtelingen en zeker niet voor de slecht befaamde Groesbekers. Tegen onze gewoonte in - anders schemerden wij tot het avondeten om licht te sparen - staken wij die dag het kleine petroleumlampje vroeg aan. En allen gingen wij meedoen aan een spelletje domino, om hiermede de bittere ontgoocheling enigzins uit te wissen.
De volgende dag kwam er een boodschap van een Ravensteinse grootmoeder - de schoonmoeder van Mevrouw B. - die "dat aardige jongetje" enkel van aan-
- 119 -
zien kende. De boodschap luidde dat Sinterklaas niet precies geweten had waar Paultje woonde en daarom het pakje bij haar had afgegeven, tegelijk met de geschenken voor haar kleinkinderen. In zijn eentje stapte Paultje naar de onbekende grootmoeder op de Markt, na verzekerd te hebben dat hij het huis best wist te vinden. De jongen kwam verrukt thuis met een tekenboek en een potlood; aanstonds ging hij zijn enigzins futuristische indrukken van verschillende auto's en trucks op papier zetten. Het tekenen zou voortaan vele uren op een prettige wijze vullen.
De Canadezen, die de bisschop door de straten hadden zien rijden en op hun vraag vernamen dat Santa Claus hier in Holland niet met Kerstmis doch in 't begin van December de kinderen onthaalde, haastten zich om een kinderfeest op touw te zetten in de grote zaal van het

 

Terug naar bladzijde 256

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 258