Het Oorlogsdagboek van Mej. P Dozy over de periode 4 - 11 December 1944 Vervolg

Terug naar bladzijde 257

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 259

44R - Vervolg dagverhaal

blz 258

Patronaatsgebouw. De Schotse pijpers speelden vrolijke wijsjes, elk kind kreeg een lekker stuk gebak en een chocoladereep; voor het laatste hadden de mannen hun eigen rantsoenen afgestaan.
Toch kwam onze jongen slechts half voldaan thuis. Hij zag er bleek en moe uit, met donkere kringen onder de ogen. Volgens Paultje's zeggen was de Sint lang niet zo aardig geweest als vorig jaar in Groesbeek, hij had helemaal niet tegen de kinderen gesproken. Hij was ook heel anders gekleed als toen, met zo'n vreemde muts op het hoofd en zijn baard leek net op watten.
Goede Mevrouw B. bezorgde ons grote mensen ook een Sinterklaasverrassing, wij kregen ieder een groot vers ei.
Het vooruitzicht dat er mogelijkheid bestond binnen kort naar Breda te trekken had aan Vader een Moeder nieuwe levensmoed gegeven. Aan Breda, hun vroegere woonplaats bewaarden zij zulke aangename herinneringen; Breda, die naam vertegenwoordigde de goede oude tijd van voor de oorlog, van eigen fleurige jonge jaren. Eenmaal in Breda zouden alle ontberingen, alle angst en leed van de laatste maanden een nachtmerrie gelijken, een boze droom die vervaagt en vergeten wordt.
- 120 -
Op deze rooskleurige verwachtingen werd een domper gezet door een brief van vaders vriend. Hij had de zoon van zijn chauffeur op de fiets dwars door Brabant gezonden om het epistel met nauwkeurig omschreven voorwaarden voor het verblijf ten zijnen huize te overhandigen. Deze voorwaarden behelsden ondermeer dat noch de honden noch mijn persoon er in huis zouden verschijnen. Het laatste leverde geen bezwaar op daar ik geen plan had Ravenstein te verlaten; mijn kwartier was goed en bovendien zou ik vanuit Ravenstein eerder kans hebben naar Groesbeek terug te keren dan vanuit het zoveel verder af gelegen Breda. Maar dat de honden niet mee mochten gaan ...... Die voorwaarde was ons onbegrijpelijk van iemand die tot voor kort zelf honden had gehad en bovendien over voldoende ruimte beschikte om de dieren onder te brengen. En hij wist toch hoe Vader op zijn honden gesteld was. Waar moesten onze trouwe Schotje en Joris dan blijven?
Mijn brave huismensen zouden zeker geen bezwaar maken om de beide terriers te huisvesten, doch als ik eenmaal gelegenheid naar Groesbeek terug te keren zou ik hen waarschijnlijk niet mee kunnen nemen. En hen alleen achter laten? Het tweetal verdroeg elkaar slecht sedert de bombardementen hun zenuwen van streek hadden gemaakt; in dat geval voorzagen wij ijselijke gevechten op leven en dood. Wij dachten aan het bekende gedicht van de bereisde Roel waarin een hondengevecht beschreven wordt: "Zulk vechten man, het was verbazend: ging kop en oor er af en glad als spek er door" en dan de laatste regel die vaststelde wat er na het gevecht overbleef: "op mijn eer, de staartjes en niets meer." - En wat is nu een gecoupeerd foxenstaartje? - Dat droevig einde moesten wij hen besparen.
Na langdurig overleg kwamen Vader en Moeder tot de slotsom dat zij niettegenstaande het uitdrukkelijk verbod de honden toch mee zouden nemen, om eenmaal in Breda zo spoedig mogelijk werk van een ander onderdak te maken. In een stad waar men zo goed bekend was en zovele vrienden bezat zou het ongetwijfeld niet moeilijk vallen een geschikte woning te vinden.
Vaders vriend veronderstelde niet anders of er zou in Ravenstein wel
- 121 -
een auto te krijgen zijn om de reis te maken. Doch indien dit niet dadelijk mocht lukken dan zou hij hen laten ophalen door een Bredase wagen.
De heer van Z. werd gepolst - hij was kort tevoren zo vriendelijk geweest Moeder en Ineke mee naar Nijmegen te nemen
- en verklaarde zich terstond bereid de familie te vervoeren. Hij stelde meteen een datum vast: op 6 December zou hij hen komen afhalen.
Alles werd voor het vertrek in orde gebracht en op de afgesproken dag stonden van de vroege morgen af pak en zak gereed. Wij waagden 't nauwelijks even met de honden een straatje om te gaan, de wagen kon immers ieder ogenblik voorrijden. Doch de dag verliep, de vroege duisternis viel in en er was noch een auto noch enig bericht van verhindering gekomen. Wij pakten het allernodigste weer uit en maakten de bedden opnieuw op. Gelukkig had wij het geleende

 

Terug naar bladzijde 257

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 259