Het Oorlogsdagboek van Mej. P Dozy over de periode 4 - 11 December 1944 Vervolg

Terug naar bladzijde 262

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 264

44R - Vervolg dagverhaal

blz 263

stof doch aandachtig kijkende valt er van voren een boer met koe, van links een hond met bot en van rechts een kat met muis te onderscheiden. Met onverflauwde belangstelling wordt keer op keer dat wonder beschouwd, totdat het gerammel van een koekjestrommel de aandacht afleidt van de kleine bezoekers.
De tochten langs slijkerige wegen, door het troosteloos kale landschap, zij helpen de tijd te doden. Wandelingen die zich steeds verder gaan uitstrekken nu er geen rekening meer gehouden behoeft te worden met de beperkte krachten van Paultje en van Schotje. Ik mis de kleine, vrolijke kameraad die overal opmerkenswaardigheden ontdekte en van alles uitleg verlangde. En nauwelijks minder de vergenoegd meetrippelende honden, al brachten zij mij soms in een lastig parket als zij kippen of katten niet ongemoeid lieten of onenigheid kregen met een collega van een boerderij die niet de wijze schuil-taktiek van zijn Ravensteinse soortgenoten betrachtte. Zonder enige emotie, eenzaam en saai verlopen nu de wandelingen.
- 130 -
't Duurde een paar weken aleer de Ravensteinse honden tot het besef kwamen dat het geduchte tweetal Schotje en Joris 't stadje niet langer onveilig maakten. Schuchter en schuw in 't eerst, waagden zij het langzamerhand op straat te blijven ook al krijgen zij mij in 't oog. Na verloop van tijd sloten wij zelfs vriendschap met elkaar; de straatterriers begroetten mij kwispelend en lieten zich aanhalen, een enkele begeleidde mij een eind weegs.
Het morgenloopje strekte zich meestal niet verder uit dan de Grote of Kleine Doolhof. Een werkelijke doolhof zo als wij ons die voorstellen was hier nooit geweest, doch van ouds werd deze naam gegeven aan de lanen die buitenom vanaf de Landpoort naar den dijk leidden. Deze eikenlanen vormden met mooi weer een geliefde Zondagswandeling voor de burgers; het was hun een genoegen ter verpozing van hun wekelijkse zorgen om hun woonplaats heen te dolen. De eenvoudige ontspanning van voorbijgegane eeuwen die nog geen voetbalwedstrijden, bioscopen en dergelijke vermakelijkheden kenden. Het uitzicht op Ravenstein behoorde ook meer in die verre rustige tijden thuis dan in deze bewogen jaren van de Tweede Wereldoorlog. Reeds aanstonds bij het eerste aanschouwen was mij de gelijkenis met oude prenten van stadsgezichten opgevallen. De voorgrond werd ingenomen door de brede vestinggracht die getrouwelijk het bochtige beloop van wallen en bastions volgde. Tuinen en boomgaarden van de gezeten burgers bedekten de stadswallen, koepels verschaften een aangename blik over het water. De beide begraafplaatsen lagen eveneens op de voormalige verdedigingswerken: de Katholieke een hof van wit blinkende graftekens, de Protestantse onder hoge bomen op het eilandje van een bastion, waar enkele grauwe zerken schuil gingen tussen de dichte plantengroei. Omvat door deze omraming rees het stadssilhouet op: de samengegroepte huizen waar boven uitstaken de twee uitheemse witte torens van de Sinte Lucia en het scherpe spitsje der Protestantse kerk, dat klein maar dapper de lucht in boort en alles overheersend de machtige molen.
- 131 -
Bij iedere belichting, op elk uur van den dag ging er van dit beeld een grote bekoring en rust uit.
Op den dijk gekomen werd den blik onwillekeurig van de stad af de andere kant op getrokken. Hier geen dromerige stilte en spiegelend water, hier is leven en beweging, hier is alles van eigen onrustige tijd. De snel voorbij stromende rivier, de aan- en af rijdende legerwagens, de op oevers en bruggen zwoegende mannen, het geknetter van geweerschoten, het dreunend ontploffen van granaten. Op de uiterwaard worden dag aan dag schietoefeningen gehouden waarbij de hoge spoordijk als kogelvanger dient. Veldgeschut is opgesteld tegenover de kazematten die eenmaal de spoorbrug hebben moeten verdedigen en poogt deze te vernietigen. Wat men ook moge beweren over de slechte hoedanigheid van het voor onze verdedigingswerken aangewende beton, deze kazematten waren van zulk voortreffelijk materiaal gemaakt dat zij wekenlang weerstand boden aan geregelde beschietingen van nauwelijks honderd meter afstand.
Achter dit alles strekte het verre land van Maas en Waal zich onbewogen in een grijze damp uit.

 

Terug naar bladzijde 262

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 264