Het Oorlogsdagboek van Mej. P Dozy over de periode 4 - 11 December 1944 Vervolg

Terug naar bladzijde 264

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 266

44R - Vervolg dagverhaal

blz 265

eiken-, dennen en sparrenhout, dicht opeen geplant, mos en heide op de bodem; er hangt een bedompte, onbehagelijke atmosfeer. Hoe verschillend van onze bossen waar het licht vriendelijk tussen hoge stammen door komt kijken en heuvels de verrassing van uitzichten geven.
Ik waag er mij niet ver in, gedreven door een onberedeneerde ingeving keer ik om en ben verlicht het de rug toegewend te hebben.
- 134 -
Eenmaal in het open land begint het verstand zijn vragen te stellen: wat was dat voor onzin, die verre tocht voor niets, hadden zenuwen mij te pakken gekregen, speelde de kwade naam van de streek zijn rol of was de gedachte aan de lange weg terug er schuld aan?
Volgens gewoonte wordt er aan tafel door de huisgenoten belangstellend geluisterd naar het verslag van de wandeling. Bij 't noemen van het bos zien Vader van Tilborg en Schra bezorgd op en de eerste maakt zijn verontschuldiging mij niet intijds gewaarschuwd te hebben, doch hij had niet verondersteld dat ik zo ver zou gaan. Het is onveilig in die bossen, er zitten Moffen verscholen. De Geallieerden zijn er wel van in kennis gesteld maar ze schijnen hen niet te pakken te kunnen krijgen. Schra voegt er de mededeling aan toe dat enkele dagen geleden een houthakker overvallen is en beroofd van zijn beurs, brood, schoenen en jas.
Zijn jas! Nu slaat de schrik mij toch om 't hart. Als dat mij overkomen was met de geleende mantel ..... Voortaan bepaal ik mij tot het vlakke overzichtelijke land, tot dijken en dorpen en veldwegen, voor zover deze laatsten tenminste enigzins begaanbaar zijn. Met de hoge waterstanden krimpt het wandelterrein steeds meer in. De eerst slechts vochtige stukken veranderen langzamerhand in moerassen en hoe verder de winter vordert hoe meer landerijen er door het water bedekt worden. De Maas, voor het grootste deel in handen van den vijand en niet langer beheerst door de Nederlandse waterstaatkundigen, herneemt zijn oude rechten.
Doch laten wij niet op de gebeurtenissen vooruitlopen, keren wij terug naar de dagen dat Vader en Moeder, Ineke en Paultje Ravenstein pas verlaten hadden. Zij blijken juist op tijd hier vandaan gegaan te zijn. Niet alleen valt plotseling de koude in, ook is de oorlog eensklaps van een verre dreiging tot een gevaar van alle vierentwintig uur geworden. Reeds de nacht volgende op het vertrek {11 dec. P.S.} is zeer onrustig, wij liggen te schudden in bed door een zwaar bombardement op korte afstand. Het
- 135 -
is gemunt op de fabrieken van Oss. Een zonderling gerucht spreekt van lichtseinen die collaborateurs voor de Duitse vliegtuigen zouden opzenden door de luchtkokers, onzichtbaar vanaf de begane grond.
Sinds Vrijdag 15 December vliegen geregeld iedere nacht V1's over. De vliegende bommen maken een dreunend, rammelend misbaar, alsof er een zwaar geladen goederentrein boven onze hoofden door de lucht raast. Bevreesde zielen spreiden opnieuw hun nachtleger in de kelder. Onze soldaten luisteren met verontruste gelaatsuitdrukking naar het onheilspellende geraas en vertellen hoe zij 't tijdens een kort verlof in Antwerpen meegemaakt hebben dat er 35 van die projectielen in het hart van de stad vielen, gedeeltelijk op een gevulde bioscoopzaal. Honderden mensen hadden bij deze ramp het leven verloren, bij de afschuwelijke herinnering trekken de gezichten strak. Hier in de omtrek zijn er enige neergekomen bij Megen en aan de overkant in 't Land van Maas en Waal bij Dreumel.
Hoewel de familie van Tilborg er niet over denkt de kelder op te zoeken, verklaart de Moeder toch dat zij er "bang of is en 't best wil weten ook". Zij beklaagt zich over haar echtgenoot die de gehele lange nacht rustig door blijft snurken, hoe zij hem ook stompt en schudt. "En dan lig je maar alleen met je angst en te luisteren of dat verrekte ding niet afslaat en valt." Met een fatalisme een Mohammedaan waardig antwoordt Vader van Tilborg hierop dat immers niemand vr zijn tijd heengaat en hij heeft dan maar liever een ongestoorde nachtrust tot z lang.
Al spoedig deden allerlei schietgebedjes in dichtvorm in Brabant de ronde. Het meest bekende luidde: "Ons Lieve Vrouwke, Gf hem nog een dauwke, Dan valt hij in de polder, En niet bij ons op zolder."

 

Terug naar bladzijde 264

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 266