Het Oorlogsdagboek van Mej. P Dozy over de periode 16 - 25 December 1944 Vervolg

Terug naar bladzijde 267

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 269

44S - Vervolg dagverhaal

blz 268

- 140 -
woning. Comfortabel is de huisvesting nu niet bepaald te noemen; zij nemen evenwel de vele ongemakken van dit verhavende stuk oud kasteel goedmoedig op en voelen zich de koning te rijk nu zij eindelijk weer op zich zelf wonen. Slechts drie vertrekken staan ter hunner beschikking: ten eerste een keuken als een zaal, zonder kachel en ijskoud, enkel in gebruik om water uit de pomp te halen. Verder het kamertje boven de kasteelse poort, zonder licht of luchtverversing daar het venster met planken is afgesloten om de gebroken ruiten te vervangen; hier slapen de kinderen, naar de trant van sardines in hun blikje, alle zeven vlak naast elkaar gevleid op stro. De zitkamer die tegelijk als slaapvertrek der ouders dient, is het enige werkelijk bewoonbare vertrek. De Domineesvrouw volbrengt het om in deze ruimte, waar het gehele huiselijke leven zich moet afspelen, toch altijd orde en netheid te doen heersen en met een vriendelijk gezicht klaar te staan om gasten te ontvangen. Ongelegen ogenblikken schijnen hier niet voor te komen en nooit ligt de boel er overhoop. Wanneer het weer te slecht is om buiten te zijn, spelen de kinderen rustig en genoegelijk om de tafel die bij de hoge vensters is geschoven of leren er hunnen lessen. De moeder geeft hun iederen dag onderwijs, het zou immers een te grote rem voor hen zijn voor hun verdere leven, zo zij achter geraakten bij kinderen in normale omstandigheden. In alle geval hebben zij de voorsprong van vlot Engels te leren spreken. Reeds spoedig wordt in het andere deel van de pastorie een opleidingsschool voor kader gevestigd. Aanvankelijk dreigde de Domineesfamilie de ramp dat zij, nauwelijks geïnstalleerd, het veld zouden moeten ruimen doch dit werd gelukkig afgewend. Le Régiment de la Chaudière is de als trompetgeschal zo fier klinkende naam van deze afdeling Canadezen. Al spoedig wordt er vriendschap met hen gesloten, verscheiden van de mannen komen hun avonden in de huiskamer doorbrengen, 't is goed te vertoeven bij Dominee en Mevrouw die Engels zowel als Frans machtig zijn. Wij

{Vermoedelijk mist hier een bladzijde 140a, de tekst loopt niet door}

- 141 -
uitzonderlijk feit in Ravenstein. Wij vermoeden dat uit dankbaarheid voor de ondervonden gastvrijheid de soldaten voor de zo zeer begeerde steenkolen zorgen. Toen zij vertrokken waren, zag ik op mijn zwerftochten in de omtrek menigmaal de Dominee, in zijn steeds valer en groenachtiger wordende pastorale geklede jas, met zijn jongens achter een handkar duwen waarop wat spaarzame takken en twijgen. Triomfantelijk werd er dan geroepen: "Wij hebben weer wat kunnen bemachtigen! Komt U vanavond ook van de warmte genieten?" 't Is er zo onzegbaar kil in het oude gebouw waarvan de dikke muren alle warmte opslorpen en de koude van alle ijsbare winters die zij in de verlopen eeuwen doorstaan hebben, schijnen uit te stralen.
's Middags zal ik in een naburig dorp Hagenaren gaan bezoeken, die daar op een boerderij onderdak gevonden hebben. Van tijd tot tijd kom ik er graag; de jonge vrouw en ik verdiepen ons in die andere wereld van vóór den oorlog, toen mondaine gebeurtenissen en kunst een belangrijke plaats innamen. Dat is een vlucht uit het tegenwoordige, ik besef 't volkomen maar waardeer toch altijd weer de verfrissing, de verademing die het geeft te gevoelen dat er nog iets anders bestaat dan wat ons tegenwoordig geheel in beslag neemt: oorlog en verwoesting.
De weg is verlaten, niemand gaat er met dit gure weer zonder noodzaak naar buiten. Naargeestig strekt het sombere landschap met zijn grauwe boerderijen en verwrongen knotwilgen zich uit.
Een fietser passeert, zonder belangstelling wenden wij de blik naar elkaar, wij slaken een verraste uitroep: "Jij hier!" gevolgd door de dwaze, overbodige vraag: "Leef je dan nog?"
Wij hadden elkander al lang afgeschreven. Jo de onderduiker was immers, toen het hem met alle huiszoekingen in Groesbeek te heet werd, uitgeweken naar de streek aan de rechterzijde van de Maas, bij Venlo in de buurt. Jo zelf dacht niet anders of wij waren omgekomen bij de heftige strijd
- 142 -
om Groesbeek. Dadelijk vraagt hij naar zijn voormalige gastvrouw, buurvrouw Lien. Ja, hij is door de Duitsers opgepakt geweest, maar heeft weten te ontsnappen; 't is een heel verhaal. Nu hij weet

 

Terug naar bladzijde 267

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 269