Het Oorlogsdagboek van Mej. P Dozy over de periode 26 - 29 December 1944 Vervolg

Terug naar bladzijde 277

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 279

44T - Vervolg dagverhaal

blz 278

De baas van de woonwagen kwam eens op zijn bordesje kijken welke zonderling 't in zijn hoofd haalde om in de sneeuw en ijzige kou een wandeling te maken. Na een groet gewisseld te hebben vroeg ik hem of het niet ongezellig was 's nachts met al die bommen die overvlogen. "Och, je went aan alles wanneer je maar tijd van leven hebt" antwoordde hij sto´cijns, "zolang ze maar niet te dicht in de buurt neervallen en de Vrouw haar koffiekumkes heel houdt, kan 't ons verder niet bommen."

Vrijdag 29 December.

Vandaag bereikte mij de eerste brief uit Breda. Onze bezorgdheid over de afloop van die reis in de duisternis op de drukke weg door Brabant bleek niet ongegrond te zijn geweest. De auto is ergens tegen een half op de weg staande onverlichte jeep aangereden. 't Gaf een geweldige klap, het portier aan de ene kant werd als een
- 161 -
sardineblikje open gereten, de ruiten gingen in scherven, de inzittenden werden door elkaar gesmeten. Tot hun eigen verwondering kwamen zij er heelhuids af, zelfs Paultje die aan de beschadigde zijde had gezeten. Toch is de kleine jongen niet op dreef, hij ziet er slecht uit en lijdt voortdurend aan hoofdpijn. De Dokter veronderstelde dat hij een shock heeft gehad en raadde enige dagen rust aan. "Paul voelt zich helemaal niet thuis in breda, evenmin als ik" schrijft zijn Grootje. Zij heeft dadelijk werk van een school gemaakt; tussen kinderen van zijn eigen leeftijd en met de geregelde bezigheid zal 't wennen wel gemakkelijker gaan. Onze inspanning om hem onderwijs in de eerste beginselen van de schoolkennis te geven, blijkt vrucht gedragen te hebben: Paultje is nog verder gevorderd dan de andere leerlingetjes van zijn klas.
Van de militairen die ons geregeld bezochten is enkel Ernest overgebleven. De jonge man die tevoren zijn naam weinig eer aan deed - zelfs de meisjes verveelde hij met zijn flauwe grapjes - ontpopt zich nu hij alleen is tot een onderhoudend prater. Eerst thans vernemen wij dat hij de veldtochten in Palestina, Cyrenaica, Cyprus en Egypte heeft meegemaakt; hij weet allerlei bizonderheden te vertellen over die Oosterse landen. Zijn oordeel over Egypte is gelijkluidend aan dat van Jack en Frank: te veel stof, te veel vliegen, een onzegbare smeerboel en, het ergste van al, een onbetrouwbare, grenzeloos inhalige bevolking.
Over de toestanden in het Britse leger is Ernest vol lof. De manschappen worden menswaardig behandeld en uitstekend verzorgd. De Engelsen thuis zouden wel willen dat zij volop van zulk heerlijk eten kregen en zoveel sigaretten! Er zijn slechts twee zaken die hem niet bevallen. Het ene is het openbare doktersappŔl; 't neemt de laatste illusie van privy life van je weg en bovendien behoeven de kameraden toch niet ingewijd te worden in wat je mankeert. Het andere is de gedwongen kerkgang. "Dat mag misschien goed zijn geweest in de tijd van
- 162 -
Wellington en in de Victorian age, doch tegenwoordig zijn wij mensen het anders gewend, wij zijn geen kudde meer. Ofschoon ....." Ernest aarzelt even om de gedachte die zich aan hem opdringt, te uiten, dan gaat hij toch verder: "Het dienen in het leger vormt ons eigenlijk helemaal tot een kudde. Alles op commando: eten, slapen, oefenen, baden; zelfs waar je je verlof mag doorbrengen wordt je voorgeschreven: Nijmegen leave, Brussels leave. Veel van de kameraden vinden het wel gemakkelijk om zo te leven, overal wordt voor gezorgd, wanneer je maar meesukkelt in de sleur gaat alles van zelf. Je wordt geleefd en behoeft nergens om te denken. Totdat je aan 't front komt, onder vuur. Dan is 't alsof de pal die de veer tegen heeft gehouden, ineens losspringt en de zekerheid valt weg. Wij worden dan ieder weer afzonderlijke mensen met eigen gevoelens en eigen angsten. Je zou 't liefste gedoken blijven zitten in je funkhole." (Bijnaam voor de mangaten of schuilplaatsen, letterlijk angsthol.)
"Wat een onzin vertel ik" onderbreek hij zich en ziet schuw onderzoekend op, maar de aandacht waarmee geluisterd wordt doet hem vervolgen:
"'t Is de eerste keer een vreemde gewaarwording op een medemens te moeten schieten; al heb je 't nog zo lang geoefend op schijven en op dummies en er een grote mond bij gehad over het

 

Terug naar bladzijde 277

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 279