Het Dagboek van Mej. P Dozy (1946 - 1972) over de periode 4 Jan - 31 Dec1947 Vervolg

Terug naar bladzijde 325

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 327

47A - SCHRIFT-2 Vervolg

blz 326

van 17 kamers - "fort commode pour cacher des gens." - temidden van een protestantse bevolking. Zijn vrouw en kinderen waren bij hem gekomen, 't huis was een centre de résistance, nooit vermoed door de D. die een onnoozele dominé hier niet toe in staat achtten,
[vel 23]

In 't atelier, temidden van zijn werk, stond de kist, bedekt meet bloemen. Wij schaarden ons er om heen, eerst las de Geref. voorganger - een ernstige jongeman van 23 jaar - de doodenpsalm 103? en uit Paulus aan de Corinth:13 {spatie} en bad, hierop zeide Ds.Jospin enkele hartelijke woorden.
Langs de Boerweg, die door de buren schoongeveegd was van de sneeuw, ging de stoet te voet, enkel Andrée in éen der auto's, tot het eind van 't dorp Elp. Hierop stopten wij en verscheiden gingen in de auto's, die doorreden tot Westerbork, alleen Ketelaar stopte halverwege nog om Ds.Jospin die het te koud kreeg, op te nemen. Zus had toen beter ook kunnen gaan rijden, maar bleef loopen. 't Was fel koud, 't wijde Drentsche land met een laagje sneeuw bedekt, dat glinsterde en schitterde in den gouden zon, fijn teekenden de knoestige boomen zich af tegen de heldere winterlucht. Door dit schitterende landschap trok de lange donkere stoet over Reins geliefde Oranjekanaal, dat stijf toegevroren lag. De enkele voorbijgangers stegen van de fietsen of lieten hun wagens stoppen en stonden eerbiedig met de pet in de hand. Halverwege de Westerborker esch kwamen wij een boer met een dik varken tegen, 't varken werd wild van al die menschen, met moeite hield hij het luid piepende dier in bedwang, met de rug naar de weg gekeerd, maar toch de pet in de hand. Een van Reins figuren. Onderweg met boer Pol gesproken over oorlogspsychose. Hij vertelde van Drentsche oorlogsvrijwilliger van '44, die nu naar Indië is en ik van onze ondervindingen. Bij ingang Westerbork formeerde de stoet zich weer; langs de rand van de erven, voor hun huizen stonden de menschen en voegden zich
[achterzijde vel 23]

achter de stoet, ook de burgemeester, enz. die in zijn auto ons opgewacht had. Bij de kerk komende begon de oude klok te luiden, eerst drie maal drie doffe slagen, daarna het sombere uitluiden. Links op de doodenakker, die ligt op een afgeschut hoekje van de Esch, beschut door 't bosch en een hooge beukenhaag, links, dichtbij de graven van de hier gesneuvelde Franse parachutisten, is zijn rustplaats, tusschen een rhododendronbos en een oude jeneverbessenstruik die hij eens uitgeteekend heeft. In een wijde kring stonden wij er om heen, in de sneeuw, de heldere winterlucht boven ons en de stilte.
Als eerste sprak een jonge, mismaakte Beiler schilder namens de Drentsche kunstkring, daarna Oldebeuring de redacteur van de Drentsche Courant, waar Rein aan medewerkte en vervolgens de trouwe Dijkstra. De beide dominé's spraken en baden. Buiten de begraafplaats namen wij afscheid van Gretien en Hartman, Hartman zeide: "En wij blieven elkander skrieven", de beide getrouwen stonden de tranen in de oogen, en van vele anderen. Wij gingen in de auto's terug, de Elper boeren in een paar autobussen, In 't Heidehuis koffie en broodjes gegeten en in 't atelier schilderijen bezichtigd, ook verscheiden die door mr.Scherf en Victor uit Trianon werden gehaald. Dijkstra maakte plan voor Herdenkingstentoonstelling in Assen en Groningen.
Samen met Andrée, Ds Jospin en Dijkstra's aten wij om dan met Dubbelboer, met zes man in klein wagentje, naar station Beilen te rijden. Terugreis samen met Ds Jospin tot Zwolle. Steeds fel koud, doch bij Arnhem ontdooiden de raampjes ineens. Waal ligt vast. In Nijmegen wachtte Elly ons met auto, bij elf uur thuis.
[vel 24]

Boer Pol zeide, in 't stugge Drentsch, waarvan de woorden zoo moeilijk uit de keel komen: "Een moeder is 't ergste wat je verliezen kunt, dat weet jullie allemaal ook wel, maar ik ben toch niet meer geschrokken toen ik 't overlijden van mijn Moeder hoorde dan nu met de doodstijding van Meneer Dozy."

 

Terug naar bladzijde 325

Terug naar de inhoud

Naar bladzijde 327