44E Dagverhaal Slot |
blz 148 |
- 19 -
Vader had zich al ongerust gemaakt over ons wegblijven. Hij uitte dit door
hevig te mopperen: "Hoe kunnen jullie zo stom zijn juist de kant van de
Lubert, de meest blootgestelde streek, op te gaan? Je kon toch wel op je tien
vingers narekenen dat het vechten niet op slag gedaan is. En waarom zijn
Moeder en Ineke niet met jou mee teruggegaan? Zij horen daar immers nog
duidelijker dan hier hoe er geschoten wordt en zij moeten toch ook snappen hoe
gevaarlijk het op de weg is." Enige zware salvo's bevestigden Vaders
woorden en vermeerderden onze ongerustheid over de wegblijvers.
Eindelijk, eindelijk na lang afwachten verschenen Moeder en Ineke en in de
opluchting hen ongedeerd weer te zien vergat Vader zijn voorgenomen ernstig
vermaan te plaatsen. Zij begonnen dadelijk met te zeggen dat op de terugweg
een hevige granaatregen hen overvallen had waarvoor zij in het Klimhuis waren
gaan schuilen. Zodra het schieten scheen te bedaren waren zij op een drafje
langs de schoenfabriek naar Vogelsangh gelopen waar zij juist op tijd
aankwamen want even later scheerde een projectiel over het pad en scheurde de
zijkant van het gebouw open.
In de Kamp, het Lage Wald, op de Mies en de Horst hebben teruggekeerde Moffen
overal huizen verwoest en in brand gestoken.
Met het oog op het gevaar oordeelde men het niet raadzaam dat ik deze nacht in
Elly's huis zou doorbrengen. Het geleek ook overbodig, 't was niet
waarschijnlijk dat maraudeurs hun huis voor buit zouden wagen en de granaten
trotseren. Toch moest ik voor het vallen van de avond nog even naar het huis
toe om de vlag binnen te halen en het openstaande zoldervenster te sluiten.
Het was buiten vrij rustig gedurende de eerste paar honderd meter die ik
aflegde. Bij de spoorwegovergang gekomen suisden er weer granaten over. Tegen
de muur van het hotel Groesbeek schuilde een van de in Mariendaal wonende
dames, Cecile B. die mij bij zich wenkte. Terwijl wij in die
- 20 -
betrekkelijke veiligheid het ophouden van het schieten afwachtten vertelde
Cecile dat zij naar de familie Geurts in het Binnenveld was geweest om hen te
zeggen dat hun zoon gewond op Mariendaal binnen was gebracht door het
Amerikaanse Rode Kruis.
Op een gunstig ogenblik vervolgden wij ieder onze weg. Het respijt was niet
van lange duur, nauwelijks tot de Houtlaan genaderd klonk opnieuw een
onheilspellend fluiten. Postbode C. die er net aankwam verschool zich ijlings
achter een dikke boom, ik borg mij in het ondiepe wagenspoor, Schotje drukte
zijn lijfje kreunend van angst tegen mij aan. De granaten sloegen zo dichtbij
in dat zij ons met aarde bespatten. Van een korte rustpoos maakten Post, Schot
en ik gebruik om op een drafje de achterzijde van het dichtstbijgelegen huis -
de winkel van de gezusters V. - op te zoeken. Wij koesterden nog een vage hoop
binnen te kunnen komen doch deuren en vensters waren secuur afgesloten. Wij
maakten ons zo klein mogelijk terwijl de granaten over ons heen gierden.
Ten slotte, afwisselend dravend en dan weer op de grond uitgestrekt,
opspringend en neervallend, bereikte ik Elly's huis toch. Buurman Vos trad te
voorschijn uit zijn deur om verontschuldigingen te maken dat zij zo vrij waren
geweest de vlag weg te halen; hij en buren geloofden dat de vlag een mikpunt
voor de Duitse kanonnen vormde en bijgevolg een gevaar voor alledrie de huizen
opleverde. Ze hadden nog moeite genoeg gehad om van buitenaf de stok los te
krijgen, hij leek wel vastgesmeed beweerde Vos. Die mededeling gaf mij een
zekere voldoening, het bewees hoe deugdelijk mijn sjorringen waren geweest.
Die avond brachten wij ons beddegoed naar de kelder. In een der appelbakken
richtten wij met twee hoofdkussens een heerlijk zacht bedje voor Paultje in,
't leek net een scheepskooi en evenals bij een bovenkooi moest de kleine
jongen er langs de onderliggende bak inklimmen, wat een heel pretje was. Toen
hij in zijn bedje lag zeide hij verrukt: "Gaan
|