44H Dagverhaal Vervolg |
blz 175 |
vol kleurige inmaakglazen, hinderden niet en kwamen integendeel beter tot
hun recht in het heldere licht. Vanmorgen staakte de waterleiding voor korte
tijd, vanmiddag gaven de kranen weer water.
Na den eten, na de vruchten verzameld te hebben, gingen Moeder en Ineke een
eindje met de honden wandelen. Het was nu rustig en ik maakte er gebruik van
om voor een onzer buren, Marieke van Sjang, naar dokter X. te gaan. Arme
Marieke had ons haar nood geklaagd: sinds de invasie had zij niet kunnen eten
of slapen, de zenuwen hadden haar danig te pakken, zij kon geen rust meer
vinden. Haar uiterlijk bevestigden de woorden, akelig hol stonden de grote
donkere ogen in het weggetrokken bleke gezichtje. En niemand, niemand durfde
eens even voor haar naar de Dokter te gaan; iedereen vond het te ver en te
gevaarlijk ..... Dat leek ons wel wat overdreven, de oude dokter woonde immers
vlak bij, doch 't bleek dat zij een der andere doktoren moest hebben en wel
juist dokter X. die aan de oostzijde van het
- 74 -
dorp woont. Voor degeen die de omweg over de straat moest volgen mocht de
tocht naar het doktershuis misschien bezwaarlijk wezen, door de tuinen gaande
zag ik best kans om het op een gunstig tijdstip met weinig risico te doen.
Marieke's dankbaarheid was groot en de volgende dag vertelde zij verrukt voor
't eerst weer eens geslapen te hebben.
Terugkerende van dokter X. moest ik in de kelder van het Klimhuis duiken om
mij te bergen voor fluiters. Wij betitelden de in onmiddellijke nabijheid
langs suizende granaten met die naam, naar het eigenaardige van hoog naar
lager afdalend fluitende geluid dat ons een waarschuwing was om onverwijld
dekking te zoeken.
In de kelder van het Klimhuis was het gehele gezelschap voltallig aanwezig.
Jan de melkboer, wiens ouders in de nabijheid van het Wald wonen, vertelde hoe
Duitse soldaten volgens hun van het begin van de oorlog bekende gewoonte zich
vermommen in vrouwen- en zelfs in nonnenkleren; zo uitgedost komen zij uit het
Wald om de Geallieerde troepen te bespieden. Nu de Geallieerden achter deze
list zijn gekomen, schieten zij aanstonds op iedere gestalte die de weg aan de
zoom van het Wald betreedt.
Elke nacht doen de Duitsers uitvallen uit het Wald, gister-nacht zijn zij
hierbij tot bij de smederij van Kerkhof gekomen die aan de Bredeweg op een
kilometer afstand van het dorp ligt. De Amerikanen hadden met hun
gebruikelijke onachtzaamheid ergens in een weiland hun keukenwagen vol
voorraden laten staan; hij werd door de Duitsers ingepikt, zij wisten er
ongemerkt mee uit de voeten te geraken. Wat zullen de soldaten, die het
vanmorgen zonder hun gebruikelijke uitgebreide warme ontbijt moesten stellen,
gemopperd en gevloekt hebben op de nalatige kok!
Deze avond zien wij op de Mies weer een boerderij branden; tegen de rode gloed
steekt het dakgeraamte van een reeds eerder door vlammen verteerd huis scherp
en spookachtig af. Prachtig schijnt de maan en de sterren fonkelen, helder is
de gehele omtrek verlicht, in onze tuin tekenen paden en struiken zich
duidelijk af.
- 75 -
't Is onbehagelijk om nu met de honden uit te gaan en toch durven wij hen niet
op eigen gelegenheid te laten gaan; wij hebben te veel armzalige door
granaatscherven verminkte dieren zien rond-dolen. Dus sluipen wij, op
tijdstippen dat geen burger zijn neus buiten de deur mag steken, met een hond
aan de lijn door eigen tuin en vermijden daarbij zoveel mogelijk het
verraderlijk knerpende grint en de knappende kastanjebolsters en trachten van
schaduwplek naar schaduwplek te glippen. Vurig hopende dat wij aan de aandacht
van onze Bevrijders zullen ontsnappen en niet als snipers beschoten worden. De
wijze Schot begrijpt de toestand volkomen en blijft geen tel langer buiten dan
nodig is. Jonge Joris daarentegen stapt pas na veel overreding de stoep af,
snuift en speurt naar alle zijden, talmt en treuzelt tot er weer een schot
valt, hetgeen nooit lang op zich laat wachten, om vervolgens in dolle angst
naar binnen te vluchten, de Vrouw aan de lijn achter zich meeslepend. En dan
moesten wij in 't holst van de nacht nog eens met hem uitgaan, wat nog veel
onaangenamer was.
Hebben de Amerikanen ons wel eens bespeurd bij die nachtelijke expedities?
Waarschijnlijk wel, zij hadden hun ogen overal. Wij herinneren ons maar al te
duidelijk die keer dat wij
|